Methode 'Praktische Logica':

 

Modelvorming



Principes van Modelvorming



Mogelijkheden van kennis, informatie en logica.





Inleiding



Onze levens worden in toenemende mate beheerst door informatie, kennis en techniek. Tegelijk vinden ook kwalitatief gezien voortdurend ontwikkelingen plaats in wetenschap en technologie, met name de exacte vakgebieden. Inzichten en toepassingen die vandaag nog geavanceerd zijn blijken de volgende dag alweer ingehaald te worden door verbeterde versies en superieure innovaties.

Omdat kennis zo vaak feilbaar of verbeterbaar is gebleken, worstelen filosofen al sinds de vroege oudheid met vragen over de aard van menselijke kennis en oordeelsvorming. In de kennistheorie, wetenschapsfilosofie of epistemologie zijn onnoemelijk veel opvattingen en theorieŽn voortgebracht over de mogelijkheden om 'weten', 'waarheid' en 'zekerheid' te verkrijgen, en over de reikwijdte van het menselijk kenvermogen.
Het is niet altijd duidelijk wat het doel is dat de denkers en auteurs met al deze intellectuele constructies voor ogen hebben. De algemene teneur lijkt wel te zijn, om elke notie van 'zeker weten' tot het een gevaarlijke illusie te verklaren.
Hoe dan ook, wanneer het doel is om de kwaliteit van informatie verwerking en oordeelsvorming te verbeteren, is het handig om rekening houden met de haalbaarheid van kennis en de grenzen van het oordeelsvermogen. Hieronder zullen we daarom een aantal verschillende visies de revue laten passeren, waarin de mogelijkheden van kennis en informatie van allerlei kanten belicht worden. Daarbij wordt aandacht besteed aan de antecedenten, de argumenten en de rationales van deze opvattingen, hun onderlinge historische, culturele en logische relaties, en ook de consequenties in logische en praktische zin zowel van gunstige als minder gunstige aard.
Deze bespreking mondt tenslotte uit in een aantal conclusies die samen een solide en genuanceerde visie vormen op kennis en informatie. Deze biedt een raamwerk voor een methodiek voor de optimalisering van oordeelsvorming, bij uitstek voor resultaatgerichte toepassingen, en met name voor de sociale wetenschappen.

1. Kennis als levensbehoefte



(1)

Een materiŽle leefwereld.


Waar de meeste mensen het over eens zijn, is dat we niet zomaar los in een vacuŁm rondzweven, maar leven in een bepaalde omgeving, een concrete werkelijkheid. Deze wordt gekenmerkt door materie, energie, tijd en ruimte, en is daardoor fysisch van aard. We kunnen aannemen dat ze grotendeels 'op zichzelf' bestaat, An Sich, onafhankelijk van ons waarnemen, weten of besef ervan, kunnen we dit een 'objectieve' werkelijkheid noemen.
{Nb. De aanname dat een onafhankelijke realiteit bestaat, (realisme, objectivisme) is al sinds de oudheid door talrijke filosofen in Oost en West betwist.
Er is immers geen volledig sluitend en definitief bewijs voor te vinden. Denk aan Plato's metafoor van de Grot met louter 'schaduwen op de wand' als karige, indirecte afspiegelingen van de werkelijkheid; (Socrates' betoog in Plato's Republica, 7.514a), of de Indiase metafoor die onder meer in de oudste Boeddhistische geschriften is beschreven, van de blinden die een olifant betasten en elk een ander aspect uitlichten (bijv. de Tipitaka, 2 Sutta Pitaka, Khuddaka Nikaya, Udana 6.4, Tittha Sutta).
Het andere uiterste is het idee dat elke notie van 'realiteit' slechts in onze eigen geest, of althans perceptie bestaat (idealisme, subjectivisme). Deze aanname mag zich de laatste decennia, sinds de opkomst van het postmodernisme, wereldwijd in grote populariteit verheugen. Ze leidt echter, zoals we hieronder nog zullen zien, tot allerlei onoverkomelijke contradicties met alledaagse menselijke behoeftes en motieven, zodat haar aanhangers zich er zelden of nooit in de praktijk van hun dagelijks leven consequent aan houden. Ze impliceert bovendien tamelijk absurde aannames zoals solipsisme, waaruit weer allerlei andere onoplosbare paradoxen voortvloeien, zoals we verderop nog zullen zien}.

(2)

Subjectieve uitgangspunten.


Binnen de externe realiteit streven we er naar om te voldoen aan onze belangrijkste behoeften en belangen. Ze draaien vooral om overleven en welzijn (geluk beleven) - voor onszelf en samen met anderen.
We functioneren dus, binnen de fysische werkelijkheid, vanuit onze subjectieve beleving en doelen.
{Nb. Dat wil zeggen dat we zaken subjectief kunnen bemerken of ondervinden, en als zodanig kunnen herkennen, zonder dat we daarvoor noodzakelijk of uitsluitend een objectieve rechtvaardiging nodig hebben. Ze worden ook wel als voor-wetenschappelijke, 'intuÔtieve ', of 'naÔeve' ervaringsgegevens opgevat. Het betekent niet per se dat zulke subjectieve ervaringsinhouden geen grond, oorsprong of oorzaak hebben (een zogeheten correlaat) in de objectieve realiteit, zoals zenuwstelsel, zintuigen of directe omgeving.}

(3)

Behoefte aan kennis.


Het blijkt dat we voor het verwezenlijken van onze subjectieve doelen sterk zijn aangewezen op onze omgeving. We hebben dan ook kennis nodig over de werkelijkheid als leidraad om te overleven en te functioneren in de wereld.

2. Het belang van betrouwbare richtlijnen



(1)

Informatie als 'richtingwijzer'.


Om onze doelstellingen te realiseren is het vaak nodig dat we omstandigheden en gebeurtenissen kunnen sturen of tenminste kunnen bijsturen - en dus op de een of andere manier kunnen beÔnvloeden. Zo'n situatie heeft in het algemeen twee kanten:
(I) Er is een huidige toestand, waarmee we niet, of niet (meer) helemaal, tevreden zijn; en
(II) Er is een doel waar we naar toe willen: een gewenste toestand.
Deze toestanden kunnen betrekking hebben op externe en interne zaken, materiŽle en immateriŽle aspecten. In ieder geval nemen we meestal aan dat sommige aspecten van toestand A een bepaalde 'afbeelding' (of correspondentie) hebben, direct of indirect, in sommige aspecten van toestand B.

(2)

Richtlijnen voor de route.


Gegeven deze algemene structuur van een situatie, is de vraag: hoe komen we van A naar B?
Meestal zijn er in een situatie veel verschillende mogelijkheden van gedrag en reageren. Maar ons meer algemene doel is dat we in allerlei situaties doeltreffend kunnen handelen en beslissen. Het liefst nemen we de kortste, de gemakkelijkste en de voordeligste route.
Dit betekent dat we richtlijnen nodig hebben om onze handelingen en beslissingen te bepalen: oftewel informatie. Met name een voorstelling van zowel A als B, als de wegen daartussen.

(3)

Informatie voor voorspellingen.


Om in verschillende situaties te weten welke route de beste kansen en voordelen biedt om ons doel te bereiken, is het handig als we kunnen anticiperen en inspelen op wat er in de wereld gaande is. Dat betekent met name dat we moeten kunnen voorspellen hoe onze acties uitwerken in onze leefwereld; met andere woorden, hoe dingen, dieren en mensen op onze acties zullen reageren.

(4)

Geen directe toegang.


We zullen kortom enige betrouwbare kennis nodig hebben over de wereld en de 'objecten' daarin.
Tegelijk hebben we echter geen rechtstreekse toegang tot de externe wereld. We kunnen immers enkel iets van die buitenwereld merken via onze eigen, subjectieve beleving ervan.

(5)

Kennis over kennis nodig.


Bruikbare kennis, of informatie, is dan ook niet iets dat altijd voor het oprapen ligt.
Het is daarom handig te weten hoe bruikbare informatie te vinden en te herkennen.

3. Modelvorming



(1)

Het wereldmodel.


Om steeds informatie te kunnen verzamelen over de situatie waarin we ons bevinden, de doelen die we hebben, en de mogelijkheden om die doelen te verwezenlijken, heeft de natuur ons uitgerust met zintuigen en een zenuwstelsel. Daarmee proberen we ons een voorstelling te maken van onze leefwereld: een wereldmodel. Het wereldbeeld omvat zaken zoals levensvisie, mensbeeld, zelfbeeld, lichaamsbeeld, enz..
"A person's processes are psychologically channalized by the ways in which he anticipates events." (Kelly,G.A., 1955; 'Theory of Personal Constructs', 'Fundamental Postulate').
"We anticipate events by construing their replications." (Kelly, G.A., 1955; 'Construct Theory', 'Construction Collorary').

(2)

Verschillende termen voor het wereldmodel.


Het begrip 'voorstelling van de wereld' kunnen we terugvinden onder verschillende noemers in allerlei theorieŽn binnen diverse wetenschapsvakken - bijvoorbeeld:

(a)

In de psychologie.


(·) Secundair signaalsysteem (Pavlov, 1849-1936).
(·) Zelfbeeld en Ideaalbeeld (Rogers, 1951).
(·) Schemata (Piaget, 1952; Neisser, 1976; Rummelhart, 1980).
(·) Personal construct system, of Structured network of pathways; in 'Construct Theory' (Kelly, 1955).
(·) Belief system; in Rationeel-Emotieve Therapie (Ellis, 1955).
(·) Impliciete persoonlijkheidstheorieŽn (Bruner & Tagiuri, 1954).
(·) Hypothesen (Bruner, 1957).
(·) Mental picture, Cognitive map (Tolman & Holt, 1958).
(·) Inferential sets (Jones & Thibaut, 1958).
(·) Generalized Reality Orientation (Shor, 1959).
(·) Plans of action (Miller, Galanter & Pribram, 1960).
(·) Cognitive orientation (Kreidler & Kreidler, 1972a, 1976, 1981).
(·) TheorieŽn (Epstein, 1973).
(·) Mental sets, learning sets (Erickson, Milton H., Rossi, Ernest L., & Rossi, Shiela, 1976) .
(·) Scripts (Abelson, 1976; Schank & Abelson, 1977).
(·) Prototypen (Cantor & Mischel, 1977).
(·) Samenhangende werkelijkheids-constructie (Boekesteijn, 1981).
(·) Information coding system, of Human software; in de Cognitieve Psychologie (o.a. Simon, 1985).
(·) Cognitive code (Best, 1992).

(b)

En buiten de psychologie.


(·) Weltanschauung, worldview; in de filosofie (o.a. Kant (1724-1804), 1790; Schopenhauer (1788-1860), 1818; Frankl, 1973; Duijntjer, 1974).
(·) Weltbild (Lange, 1936).
(·) Doctrine, Dogma; in theologie (o.a. St. Augustine van Hippo (354-430), ca.397; Milton (1608-1674), ca.1670).
(·) Ideologie (Destutt de Tracy, 1796).
(·) Kennis, Theorie, Hypothese, Model, Paradigma, Onderzoeksprogramma; in de epistemenologie (o.a Popper, 1934/ 1959; Kuhn, 1962; Lakatos, 1968, 1970).
(·) Engrams; in de neurofysiologie (R.W. Semon, 1921; K.S. Lashley, 1929).
(·) Symbolische representatie of Kaart; in General Semantics (Korzybski, 1921, 1933, 1948, 1958).
(·) Symbolic universe; in de informatiefilosofie (Cassirer, 1954).
(·) Kennis van de wereld; in de Algemene Taalwetenschap (Semantiek), (o.a. Leech, 1974); en de Computerlinguostiek (Parsering) (o.a. King, ed., 1983).
(·) Frames (Minsky, 1975).
(·) Wereldmodel; in het communicatiemodel Neuro-Linguostisch Programmeren (Bandler & Grinder, 1975/ 1977).
(·) Stilyzed version of the world, of Semantic net; in de ArtificiŽle Intelligentie (m.n. Knowledge Engineering), (o.a. Charniak & McDermott, 1985).

(3)

Basis van functioneren.


Het wereldmodel - het geheel van percepties en begrippen - is vervolgens de 'versie' van de realiteit die we gebruiken om onze reacties te bepalen.
"Mensen reageren primair vanuit hun innerlijke voorstellingen en niet vanuit hun zintuiglijke waarnemingen van gebeurtenissen." (Lankton & Lankton, 1983).
"We respond toward any situation or object in terms of its meaning, as we interpret it." (Lowery, S.A., & DeFleur, M.L., 1988, p.28).
"Wij reageren niet rechtstreeks of onmiddelijk op de wereld, maar we opereren, binnen die wereld, door middel van een 'kaart' of model (een zelfgeschapen voorstelling) van die wereld, om ons gedrag daarin te leiden." (Bandler & Grinder, 1976, p. 17).
"Wij raken niet van streek door de dingen, maar door onze gedachten over die dingen." (Epiktetus, 55-138 n.C., 'Encheiridion').
{Nb. Er zijn uiteraard vele factoren die bepalend zijn voor het psychisch functioneren. Zie voor een realistische en doelmatige indeling van die factoren, nauw aansluitend op de bouw van het zenuwstelsel: Het 'Tien Factoren Model' © van het menselijk functioneren.}

4. Het model dient de gebruiker.



De relatie tussen menselijke kennis en werkelijkheid is vergelijkbaar met die tussen een landkaart en het afgebeelde gebied.

(1)

De kaart is niet het gebied.


In onze werkelijkheid is veel onzeker, behalve misschien de basisregel: de weergave van de werkelijkheid is niet de werkelijkheid, oftewel, het principe van Non-identity, in de bekende metafoor: de kaart is niet het gebied ("The Map is not the Territory", Alfred Korzybski, 1933).

(2)

Voorrang aan gebruikswaarde.


'Absolute' objectiviteit is gelukkig niet echt nodig, want de eerste functie van onze kennis is niet 'waarheid', maar bruikbaarheid om onze alledaagse doelen te bereiken, ofwel: doelmatigheid. Het gaat dus allereerst om gebruikswaarde, pas daarna om waarheidswaarde.
"Niets is zo praktisch als een goede theorie." (Van den Hout, 1997; 'TheorieŽn beschouwd').
Deze visie is te vinden bij stromingen in de (wetenschaps)filosofie die de nadruk leggen op praktische bruikbaarheid van kennis (het pragmatisme), nut en voordeel (het utilitarisme), en mediŽrende rol (het instrumentalisme); zie met name Amerikaanse filosofen zoals Charles Sanders Peirce, John Dewey.

(3)

Kennis als wegwijzer.


Ook op dit punt is er een overeenkomst tussen menselijke kennis en een landkaart: de kaart mag dan wel een verregaande reductie weergeven van het afgebeelde gebied, maar ze hůeft ook niet een ťťn op ťťn afbeelding te zijn: ze dient op de eerste plaats als gids, wegwijzer of leidraad voor ons handelen en beslissen in het gebied van de werkelijkheid.
"Men moet hierbij in gedachten houden dat de gehele voorstellingswereld in haar totaal niet tot doel heeft een afbeelding van de werkelijkheid te zijn - dat zou voor haar een onmogelijke taak zijn - maar een instrument, waarmee we gemakkelijker onze weg in de wereld kunnen vinden." (Vaihinger, 1924, p.15).

(4)

Gebruikswaarde is allereerst afhankelijk van de gebruiker.


De gebruikswaarde die een model voor iemand heeft is uiteraard afhankelijk van de doelen die de gebruiker op voorhand voor ogen staat, dan wel de bevindingen die hij of zij bij de toepassing ervan heeft opgedaan. Bijvoorbeeld, een architect stelt andere eisen aan een plattegrond dan een piloot, een wandelaar andere dan een automobilist.
Algemeen blijft wel gelden: opvattingen en ideeŽn worden op waarde geschat al naar gelang ze de verhoopte uitkomsten leveren.
Oftwel, "just in so far as they help us to get into satisfactory relations with other parts of our experience." (James 1991:28).
"In hoeverre de structuurovereenkomst tussen een model en het weergegeven object significant en relevant is, wordt bepaald door de subjectieve keuzes van de waarnemer." (Les Tombes, 1974; Meerling, 1981, p.36).


5. Feilbaarheid van kennis



Omdat we groot belang hebben bij betrouwbare kennis, is de cruciale vraag hoe we daar aan kunnen komen - en allereerst: in hoeverre is dat mogelijk? Hiervoor blijken een aantal belemmeringen te bestaan.

(1)

Ons kenvermogen is beperkt.


Een moeilijkheid is dat de werkelijkheid welhaast oneindig veelomvattend, complex en grillig is. Daarmee vergeleken zijn onze vermogens tot waarnemen, begrijpen en kennen naar verhouding uiterst beperkt en feilbaar.
(zie o.m.: Wehl, 1927/1949, p.83, 116; Korzybski, 1933; Popper, 1934/ 1959, p.111; Lakatos, 1970; Kahneman, Slovic en Tversky, 1982).
{Nb. De complexe en 'ongrijpbare' aard van de realiteit werd al sinds de vroege oudheid door denkers en geestelijk leiders onderkend. De onontkoombare veranderlijkheid en onbestendigheid van de materiŽle wereld werd al door Heraclites benadrukt, met het principe 'Alles stroomt', of 'alles is in beweging' (panta rei; Heraclites van Efese, Grieks filosoof, 6e eeuw voor C.).
Ook de praktische consequenties van dit inzicht werden erkend: "Je kunt nooit tweemaal in dezelfde rivier stappen, want het is steeds weer vers water dat je tegemoet stroomt." (Cratylus, leerling van Heraclites); "Niets is ooit, maar alles wordt." (Plato); "Niets is standvastig." (Aristoteles).
Met name oosterse denkers hebben al vroeg gewezen op de vergankelijkheid en betrekkelijkheid van de wereld der verschijnselen, of al het 'gevormde'. De vermaarde Boeddha (ook bekend als Siddhartha Gautama, Shakyamuni Buddha, etc., ca. 563-48o v.C.) bracht met de volgende woorden het 'wiel van de waarheid' in beweging: "Yam kiŮci samudaya dhammam, sabbam tam nirodha dhammam", 'Wat onderhevig is aan ontstaan, is onderhevig aan vergaan' (Tipitaka, 2 Sutta Pitaka, SN Samyutta Nikaya, 5 Maha Vagga, 56 Sacca-samyutta, Sutta 11 Dhamma-cakka-ppavattana Sutta, 'The Setting in Motion of the Wheel of Dharma'). }

(2)

'Absolute' objectiviteit is onmogelijk.


Dat informatie een voorstelling van zaken weergeeft staat los van de mate van haar inhoudelijke realiteitsgehalte. Duidelijk is dat geen afbeelding van de werkelijkheid kan voldoen aan perfecte overeenstemming, of correspondentie, in de zin van symmetrische equivalentie, structural identity, of isomorfie.
{Nb. Perfecte correspondentie komt neer op een symmetrie met correlatie =1.0}.
Perfecte kennis van een materieel object vereist absolute objectiviteit ten opzichte van dat object, en dat is voor een mens onmogelijk.
"Niemands begrip zal ooit volledig overeenstemmen met de wereld buiten." (Bandler & Grinder, 1982, p. 40).
"De wereld is zo'n doolhof van dingen, zo gecompliceerd, dat geen bewering compleet is." (Stephan Themerson, 1910-1988).
"Er is een noodzakelijk verschil tussen de wereld en elk afzonderlijk model of voorstelling van de wereld." (Bandler & Grinder, 1975a/ 1977, p. 20).
Menselijke 'kennis' over de werkelijkheid is dan ook altijd subjectief, relatief, en onvolkomen: onvolledig, en in zekere mate onnauwkeurig, willekeurig en partijdig.
"Alle wetenschap is, afgemeten tegen de werkelijkheid, primitief en kinderlijk." (Albert Einstein, geciteerd in: 'The Expanded Quotable Einstein', 2000).

(3)

Hypothetische structuur.


We kunnen van gťťn structuur die wij kennen of vermoeden ooit sluitend bewijzen dat deze werkelijk op exact dezelfde wijze in de 'buitenwereld' aanwezig is, als wij denken. Structuurkenmerken kunnen we dus nooit rechtstreeks in de buitenwereld waarnemen of aantonen: ze behelzen dus hoogstens pseudo-inherente structuur.
Alle structuur die wij kennen blijft dan ook een aanname die in de grond feilbaar, voorlopig en van verkennende, tentatieve aard is.
Om deze redenen kan menselijke kennis nooit de status krijgen van 'zekerheid', 'waarheid' of 'waarschijnlijkheid' - hoogstens van 'verwachting', 'vermoeden', 'veronderstelling', 'aanvaarde aanname', 'opvatting', 'overtuiging' of 'geloof'. Kortom, ze is altijd hypothetisch van aard.
"Our knowledge is never absolute but always swims, as it were, in a continuum of uncertainty and of indeterminacy." (Peirce, Ch.S., 1931-1958: 171).
"Man's truth is never absolute because the basis of fact is hypothesis." (Peirce, Ch.S., 1857-1866, Writings vol.I, p.7).

(4)

Voorlopig karakter.


Zelfs het bouwwerk van de wetenschappelijke kennis heeft volgens wetenschapsfilosoof Karl Popper, zoals beschreven in zijn kennistheorie het kritisch rationalisme, slechts een voorlopige rechtvaardiging, op grond van pragmatische overwegingen die altijd context-gebonden zijn.
"The empirical basis of objective science has thus nothing 'absolute' about it.
Science does not rest upon solid bedrock. The bold structure of its theories rises, as it were, above a swamp. It is like a building erected on piles. The piles are driven down from above into the the swamp, but not down to any natural or 'given' basis; and if we stop driving its piles deeper, it is not because we have reached firm ground. We simply stop when we are satisfied that the piles are firm enough to carry the structure, at least for the time being
." (K.R. Popper, 1934/ 1959, p. 111).
Het begrip 'waarheid' kan daarom volgens modernere wetenschapsopvattingen beter worden vervangen door 'waarheidsgelijkenis' (verisimilitude) (ibidem).
{N.b. De visie in de (wetenschaps)filosofie die de onvermijdelijke feilbaarheid van alle menselijke kennis benadrukt, het fallibilisme, heeft een lange geschiedenis. Zo bestond in de (westerse) oudheid de stroming van het scepticisme, waartoe onder meer de Griekse filosoof Pyrrho wordt gerekend.
In stellige en strikte zin opgevat leidt dit principe in haar algemeenheid tot een paradox: ze stelt dat zekere kennis niet bestaat, en stelt dit tegelijk als zekerheid.
Karl Popper heeft hiervoor als oplossing voorgesteld dat dit principe als voorwaardelijk en voorlopig waar c.q. zeker moet worden beschouwd, zolang het tegendeel niet gebleken is. Dit lijkt mij echter een schijnoplossing, omdat er circulariteit ontstaat. Een uiterst algemene stelling zoals deze zal volgens het fallibilisme voorwaardelijk, feilbaar, en voorlopig zijn. Ze zal dan ook, overeenkomstig Popper's eigen het falsificatieprincipe, weerlegbaar moeten zijn. Voor dat laatste moet ze logischerwijs toetsbaar zijn, dus 'open' staan voor een mogelijk tegenvoorbeeld (contra-indicatie, falsificator).
Zo'n tegenvoorbeeld kan alleen een specifieke (inhoudelijke) stelling zijn. Om in dit kader als 'echt' tegenvoorbeeld te kunnen worden aangemerkt, moet ze, wellicht na het overleven van een kritische discussie, wŤl uiteindelijk kunnen worden aangenomen als zeker.
Tevoren kan ze echter - opnieuw volgens dezelfde visie - alleen als voorwaardelijk (d.i. relatief) en voorlopig waar c.q. zeker worden aangenomen.
Maar uit een combinatie van twee keer 'onzeker' kan nooit iets volgen dat ' zekerder' is dan de premissen. Het laatste volgt onder meer uit de principes van kansrekening, Boolean logic, modale logica, enz.. Het resultaat van de confrontatie (de conjunctie) van meerdere stellingen is niet de som, maar het product van hun kanswaarden c.q. waarheidswaarden. Bij louter minder-dan honderd procent zekere premissen zal de conclusie altijd de laagste waarde hebben. De uitkomst kan dan nooit het origineel ' verdringen' (sterker, ze zal worden geŽlimineerd door het logische mechanisme van transferente equivalentie reductie). Ze kan dus ook nooit dienen als een 'betere ' opvatting dan het origineel. En daarmee blijkt de stelling niet falsifieerbaar, maar onverslaanbaar, en derhalve niet voorlopig maar definitief. Met deze 'oplossing' die Popper voor de eerdere paradox voorstelt, zorgt hij dus voor een tautologische bevestiging, een immunisatie, van zijn eigen stelling. Dat is uiteraard allemaal in strijd met de fundamentele criteria voor wetenschappelijkheid die Popper zelf voorstelt. Opnieuw een paradox dus - waarmee Popper's oplossing voor de eerdere paradox vervalt.
Een manier om beide paradoxen te omzijlen is om de vooronderstelling expliciet in te voeren dat zekere kennis al met al kan bestaan. De stelling kan dus beter genuanceerd worden tot: we kunnen niet (d.i. nooit) aannemen dat wat we nu aannemen, definitief zeker is - maar we kunnen ook niet uitsluiten dat we ooit een stelling tegenkomen die wŤl definitief zeker is. Met andere woorden, er zijn onzekere aannamen mogelijk, maar in principe ook zekere aannamen. Dat is, toegegeven, een vrij triviale bewering. }

(5)

Doorslaggevend is interpretatie.


De implicatie van het voorgaande is, dat wij niets kunnen weten van die werkelijkheid - om het even: merken, denken, beseffen of ervaren - zonder een actieve toekenning van enige subjectieve structuur, anders gezegd, van betekenis, van onze kant: 'Je kunt niet niet-betekenisgeven'.
Doorslaggevend voor de 'uitkomst' van onze ervaring van de werkelijkheid is dus niet zo zeer de 'ware toedracht' van die werkelijkheid, maar ons eigen betekenisgeving, een actief psychisch proces van interpretatie (perspectivisme).
"We respond toward any situation or object in terms of its meaning, as we interpret it." (Lowery, S.A., & DeFleur, M.L., 1988, p.28).
"Noch de natuur noch de geschiedenis kan ons vertellen wat wij moeten doen. [..] Wij zijn het die zin en betekenis geven aan de natuur en de geschiedenis. [..] Hoewel de geschiedenis geen betekenis heeft, kunnen wij haar een betekenis geven. " (visie van Carl Popper, in de woorden van Herman Van Rompuy, 'Zelfbeschikking bestaat niet', Trouw, 17-10-2009).

(6)

Structuur als projectie.


Sterker nog, alle structuur die wij in de wereld ontwaren, is daar door ons zelf tevoren - grotendeels onbewust - aan toegekend, door middel van mentale processen van constructie, interpretatie en projectie. Zo'n structuur is dus in feite altijd een artefact.
Anders gezegd, kennis is alleen mogelijk voor zover het kenvermogen van het subject dit toelaat.
"De betekenis die een gebeurtenis voor ons heeft is afhankelijk van het referentiekader waarin we het beschouwen." (Bandler & Grinder, 1982, p.1).
"Een verschijnsel blijft onverklaarbaar zolang het gezichtspunt niet breed genoeg is om de context in te sluiten waarin het optreedt." (Watzlawick etal. , 1967/1970).

(7)

Inherent subjectief.


Het bovenstaande betekent dat ook alle kennis en informatie primair subject-bepaald is, oftewel inherent subjectief.
Vanuit onze perceptie - binnen onze theorie over de werkelijkheid - kan informatie dus heel goed 'puur' objectief, dat wil zeggen volledig onafhankelijk van elke subjectiviteit zijn. Maar feitelijk is ze, in letterlijke zin opgevat als 'echte' kennis over de werkelijkheid, volledig subjectief.


Filters in
         bewuste waarneming
Wat we bewust waarnemen wordt gefilterd door ons wereldmodel.

(8)

Een wezenlijk onderscheid.


De zo geheten 'reality appearance distinction' vormt daarmee een wezenlijk onderscheid kloof tussen de 'externe' realiteit en onze innerlijke (bewuste) perceptie. Volgens sommigen is er zelfs sprake van een onoverbrugbare kloof: ťťn die van absolute, definitieve en onoverkomelijke aard is.
"Het is onmogelijk om uit ons eigen denkkader te stappen om vanaf een Archimedisch punt te bekijken of onze eigen beweringen de werkelijkheid goed beschrijven" (Menno Lievers, 'Is dit dan de waarheid?', 15-04-2006, NRC, p.41).

6.

Postmoderne scepsis.



Zoals gezegd zijn twijfels en kanttekeningen bij de mogelijkheid van ' ware kennis' van alle tijden. Betrekkelijk recent, zeker in het westers denken, zijn meer radicale visies op dit probleem.
Vanaf het begin van de twintigste eeuw kwam een stroom van opzienbarende ontdekkingen en bewijzen op gang, met name op gebieden van de exacte wetenschappen, zoals wiskunde, fysica en logica, die bestaande overtuigingen en zekerheden deden wankelen, en in veel gevallen sneuvelen. De consequenties hiervan reikten ver buiten de grenzen van de betreffende vakgebieden: ze zetten de gangbare concepten van wetenschappelijke kennis en waarheid zŤlf op losse schoeven. In de wetenschapsfilosofie werd daarom naarstig getracht om hierop een kennistheoretisch antwoord te formuleren.
Niet alleen groeide het inzicht dat kennis altijd feilbaar, relatief en voorlopig is. In het postmodernisme werd stelling genomen tegen het 'oude', modernistische idee dat het streven naar waarheid, kennis en vooruitgang Łberhaupt zinvol was. In een aantal opeenvolgende opvattingen en theorieŽn werden allerlei 'principiŽle' argumenten opgeworpen voor het standpunt dat waarheid en daarmee groei van kennis, in gebruikelijke zin, een onhaalbaar doel behelst.
Niet alle wetenschappers en filosofen die zich in deze zin hebben uitgesproken zullen onverkort alle denkstappen van de hard core postmodernisten onderschrijven. Daarvoor is het postmodernisme trouwens ook te divers, en in sommige gevallen, het mag gezegd, nogal warrig.

Afgaande op de redeneringen van de postmodernisten zouden we moeten verwachten dat er weinig, of beter: hoegenaamd niets, nog van de buitenwereld - de empirie' - doordringt tot de menselijke ondervinding. Het wereldmodel zou met andere woorden niet alleen een filter voor onze directe waarnemingen zijn, maar een volkomen ondoordringbare 'muur'. Het kan in dat geval geen zinvolle weergave van waarheid of werkelijkheid zijn, maar dat niet alleen: het kan ook geen enkele gebruikswaarde hebben om met de buitenwereld om te gaan.

7. Grenzen aan de relativiteit.



De vraag is natuurlijk: dringt er eigenlijk nog iets door tot ons kenvermogen, van de buitenwereld? Dat wil zeggen, kunnen we ooit enigszins door de 'muur' - c.q. het filter - van ons wereldmodel heen komen?
Bij nadere beschouwing blijken er ook wel weer grenzen aan de relativiteit.
(1)

Informatie impliceert ordening.


Het eerste dat we kunnen vaststellen is dat onze gedachten en opvattingen soms wel iets zinvols kunnen weergeven. Om weer in termen van de kaart-gebied analogie te spreken: de kaart waarmee we onze weg zoeken zal niet altijd louter een vage vlek zijn, of 'abracadabra' weergeven. Zonder de geringste mogelijkheid van kennis of informatie zouden we voor altijd dolen zonder richting of besef - door een totaal duister, of een dichte mist, een egaal kleurloos vlak (het is lastig voor te stellen). Er is dan louter totale vaagheid, ruis en chaos. En dan is het geen informatie, in de algemene zin van het woord.
Dit betekent dat er op zijn minst iets in de weergave valt te onderscheiden, dus dat er enig verschil valt op te merken, hoe minimaal ook: al is het bijvoorbeeld maar een tweedeling, zoals een figuur tegen een achtergrond.
{Nb. Zie ook: Dimensies van informatie: Een analyse van de belangrijkste opvattingen van informatie.}
Deze redenering zegt allereerst dat informatie wijst op een ordeningstoestand, een patroon of structuur.

(2)

Gebruikswaarde is mogelijk via verwijzing.


De relatie tussen kaart en gebied heeft in het algemeen niet de vorm van een concrete, directe, enkelvoudige, fysieke verbinding (connectionisme). Het gaat eerder om een relatie van verwijzing.
De kaart biedt als het ware een verzameling 'richtingwijzers'. Om als zodanig voor een gebruiker dienst te kunnen doen moet de kaart wel aan enkele minimale voorwaarden voldoen.
(a)

Er is een referentieel domein nodig.


Een kaart kan voor een gebruiker pas nut hebben, als zodanig, als duidelijk is wat het referentiŽle gebied is waar ze naar verwijst.
Dit domein kan van elke denkbare aard zijn: ze kan liggen binnen de algemene fysische realiteit, maar ook binnen iemands subjectieve beleving of 'Bubble of Perception' (inclusief fantasie, fictie, virtual reality, enz.), en zelfs ook binnen de informatie zŤlf: er is zelf-reflexieve verwijzing mogelijk.
(b)

Mogelijk (deels) irreŽel.


Sterker nog, een gebruiker kan een kaart heel goed nuttig vinden terwijl het hele gebied waarheen ze verwijst fictief is. Het kan ontsproten zijn aan eigen fantasie, dromen of hallucinatie, of ontleend aan externe bronnen zoals geruchten, zelfverklaarde profetieŽn of collectieve waanideeŽn. Bijvoorbeeld een sprookjeswereld, een mythologie of pantheon, een fictief of futuristisch land in literatuur.
(c)

Minimaal enige herkenbaarheid.


Vervolgens zal een kaart om bruikbaar te zijn wel Ūets moeten weergeven dat voor de gebruiker herkenbaar is als verwijzend naar het gebied. We kunnen zelfs stellen: zonder herkenbaarheid geen informatie.
(d)

Onmogelijk volledig irreŽel.


Er kan dus heel goed naar iets niet-bestaands, iets mogelijks maar ook iets onmogelijks worden verwezen. Maar dan nog zal de informatie meestal - om als zodanig herkenbaar te zijn - bepaalde deelaspecten weergeven die direct of indirect ontleend zijn aan eigenschappen van al gekende dingen. Al zijn het maar kleuren, lijnen of vormen, - of geluiden, geuren, smaken, en andere fysieke prikkels - die we (her)kennen uit empirische waarnemingen van de wereld.
Een interessant verschijnsel in dit verband is abstracte kunst. Die zal in de regel bij uitstek nŪet bedoeld zijn om een voorstelling van zaken weer te geven. In beeldende kunst bijvoorbeeld kan een samenspel van lijn en kleur vormen en patronen weergeven die bij de beschouwer allerlei impressies en emoties kunnen oproepen. Als abstracte werken effecten hebben, dan liggen die vooral in innerlijke, mentale gewaarwordingen. Bijvoorbeeld 'verwarring'. of 'nieuwsgierigheid'. Maar die blijven sterk individueel, en zijn nauwelijks voorspelbaar. De sleutel is hier het psychologische mechanisme van - 'vrije' - associatie. Voor zover in dit proces herkenning tot stand komt, blijft die tamelijk diffuus.
{Nb. Veel kunstenaars willen met hun abstracte werk wel iets 'communiceren' met zijn publiek. Maar volgens heel andere regels en verwachtingen dan gewoonlijk. Vaak is de uitnodiging daarbij niet om op zoek te gaan naar herkenning, maar juist vrij en onbevangen het werk op zich te laten 'inwerken', het te 'ondervinden'. Vaak is het doel beperkt tot iets als 'vraagtekens stellen', op 'vragen oproepen'. De maker/kunstenaar kan hierin wel enige richting in volgen, door een bepaalde thematiek of motief in het werkstuk hebben willen leggen. De kunstenaar kan ook een bepaalde 'sfeer' of 'stemming' tot uiting laten komen, door het gebruik van specifieke stijlmiddelen, lijnvoering en kleurenpallet, en principes van compositie en contrastwerking. Soms wordt een hint naar de achterliggende gedachten gegeven - een 'verwijzing' - door een welgekozen titel van het werk. }
Het principe blijft: hoe minder herkenbaarheid, hoe minder informatieve functie.

(3)

Sommige kennis blijkt afdoende.


In de praktijk blijkt dat we er via ons waarnemen en denken regelmatig in slagen om, in het kader van onze doelen, kennis te vergaren die de werkelijkheid voldoende getrouw benadert. We botsen gewoonlijk niet tegen elke stoel op die we tegenkomen. Onze alledaagse kennis voldoet opmerkelijk vaak, veel vaker dan we op grond van toeval - zeg 50 procent kans - zouden mogen verwachten.
Meer algemeen blijken levende organismen behoorlijk vernuftige vermogens te hebben ontwikkeld om in leven te blijven, hun alledaagse behoeften te vervullen, en zich voort te planten. Die vermogens zijn alleen mogelijk doordat ze gebaseerd zijn op geordende processen, informatiestructuren in levende cellen en weefsels. Deze ordeningspatronen vormen tot op zekere hoogte een representatie, of afspiegeling, van aspecten van de werkelijkheid - en kunnen we daarom aanmerken als kennis.
Het is blijkbaar mogelijk dat er een zekere mate van structuurovereenkomst bestaat, congruentie, of symmetrie, tussen onze ideeŽn en de realiteit. Juist daarin ligt de functie en de waarde van informatieverwerking en oordeelsvorming voor de levensvatbaarheid van organismen.
"Een plattegrond IS niet het gebied dat hij weergeeft maar hij bezit, als het goed is, een structuur vergelijkbaar met dat gebied, die zijn bruikbaarheid bepaalt." (Korzybski, 1958, p. 58-60).
We zijn dus wel degelijk tot kennis in staat die redelijk betrouwbaar is. Kennelijk is niet alles - kennis, informatie, of andere gegevens - alleen maar subjectief en volstrekt relatief. Ze kunnen beslist iets te maken hebben met het object, en dus wel degelijk tot op zekere hoogte objectief zijn.

(4)

Kennis met geldigheid over langere termijn.


Naar blijkt kan onze voorstelling van de werkelijkheid direct of indirect regelmatigheden in de werkelijkheid weergeven die voor langere termijn gelden. Daardoor ontstaan bijkomende voordelen:
(a) Hierdoor krijgt kennis een algemene geldigheid die verder reikt dan de oorspronkelijke gegevens waar ze aan ontleend was. Ze wordt toepasbaar op meerdere situaties, dus krijgt een ruimer toepassingsbereik. En dit maakt haar bruikbaar voor meerdere doelen, in uiteenlopende situaties.
(b) Door herhaalde toepassing (replicatie) van kennis wordt deze toetsbaar aan nieuwe feiten en ervaringen.
"Truth 'means' verification, or if one prefers, verification either actual or possible, is the definition of truth.
[..] "Theoretically [..] even such verifications or truths could not be absolute." and "logically absolute truth is an ideal which cannot be realized." (Dewey, J., 'The Development of American Pragmatism', 1925; 1998a: 7-8).

(5)

Kennis impliceert voorspellende kracht.


Door kennis worden voorspellingen mogelijk, en daarmee overbruggingen naar de toekomst. Dat is van onmiskenbaar belang, omdat alleen daardoor kunnen ontwikkelingen beter worden voorzien en wellicht worden beonvloed, omgebogen of bijgestuurd in een gewenste richting, of tijdig worden vermeden.
"Wat men de 'rede' noemt, is vooruitzien op lange termijn." (Baruch Spinoza).
"A person's processes are psychologically channalized by the ways in which he anticipates events." (G.A. Kelly, 1955; 'Theory of Personal Constructs', 'Fundamental Postulate').

(6)

Een praktisch criterium: voorspellende kracht.


Uit het voorgaande is nu een simpele vuistregel af te leiden: kennis , of meer algemeen informatie, is betrouwbaar naarmate ze voorspellingen mogelijk maakt die vooralsnog niet gefalsifieerd worden door tegenvoorbeelden van de voorspelde gebeurtenissen. Een heel praktische definitie van het waarheidsgehalte van kennis is dan ook: voorspellende kracht (zie Lakatos, 1968; 1970).
"It is the aim of science to establish general rules which determine the reciprocal connection of objects and events in time and space.
For these rules, or laws of nature, absolutely general validity is required - not proven. It is mainly a program, and faith in the possibility of its accomplishment in principle is only founded on partial successes. But hardly anyone could be found who would deny these partial successes and ascribe them to human self-deception. The fact that on the basis of such laws we are able to predict the temporal behavior of phenomena in certain domains with great precision and certainty is deeply embedded in the consciousness of the modern man, even though he may have grasped very little of the contents of those laws.
" (Albert Einstein, Science and Religion, Part II, from Science, Philosophy and Religion, A Symposium, published by the Conference on Science, Philosophy and Religion in Their Relation to the Democratic Way of Life, Inc., New York, 1941. Reprint in: 1994, Ideas and Opinions, p.50).
"How do you know the table still exist if you go out of the room? Can it pack up and disappear out of the window? Could even pay a visit to the international space station; perhaps even fly to the moon, before it returns to the exact same spot instantly before you re-enter the room? This seems like an unlikely scenario, but one, that we cant rule out! It is easier to assume that the table stays put when you are not there, that is our best fit model of reality. This is what we do in science; we create best fit models of how we believe the universe actually work" (Stephen Hawking, Grand Design, BBC 2012).

(7)

Uitzonderingen kunnen opduiken.


Uiteraard kunnen we altijd nieuwe ervaringen opdoen die reden geven om onze opvattingen te herzien. Eťn van de mogelijke contra-indicaties is die van de uitzondering op de algemene regel.
Dit met de beroemde vergelijking van wetenschapsfilosoof Karl Popper: Een algemene regel dat alle zwanen wit zijn kunnen we handhaven, tot dat we een zwarte zwaan waarnemen.

(8)

Falsificatie is goed haalbaar.


In de praktijk blijken we vaak redelijk gemakkelijk te kunnen vaststellen waar een voorstelling van zaken (ver genoeg) buiten de algemeen erkende, objectieve of althans intersubjectieve realiteit treedt. We kunnen zelfs behoorlijke zekerheid krijgen over de betrouwbaarheid van kennis, wanneer we niet alleen zoeken naar bevestiging, maar vooral naar weerlegging van kennis. De kritische toets voor de houdbaarheid van kennis wordt niet zozeer gevormd door positieve bewijsvoering of verificatie, maar door de 'overleving' van pogingen tot weerlegging of falsificatie (het zgn. 'Falsificatie-principe'; vgl. Popper, K.R., 1934). Door falsificatie-toetsing verkrijgen we hoogwaardige informatie om kennis - relatief - te verbeteren.
{Zie ook: Bewijsvoering via 'Falsificatie-toetsing': In plaats van bevestiging, liever weerlegging zoeken.}

(9)

Gradaties in waarheidsgelijkenis.


Duidelijk is wel dat bepaalde beweringen, regels of voorspellingen 'harder' of 'zekerder' zijn dan andere. Sommige voorstellingen treden minder ver buiten de werkelijkheid dan andere.
Er kunnen dus gradaties bestaan in de waarheidsgelijkenis en daarmee betrouwbaarheid van menselijke voorstellingen.
Anders gezegd, er bestaan gradaties in relativiteit, en dus ook in objectiviteit. Het begrip 'objectiviteit', wanneer toegepast op bepaalde gegevens, betekent dus een relatief hoge graad van objectiviteit.

Er zijn ook wel bepaalde algemene regelmatigheden aan te wijzen in de betrouwbaarheid van verschillende soorten informatie. Bijvoorbeeld, wanneer we onze aandacht meer op de algemeen herkenbare eigenschappen van een ding richten - met name de direct zintuiglijk waarneembare (empirische) kenmerken - dan is onze perceptie relatief neutraler, niet louter subjectief, minder arbitrair of 'partijdig', en dus objectiever, dan wat we toevoegen vanuit onze eigen associaties, overtuigingen en emoties.
"Wat onmiddelijk wordt ervaren is subjectief en absoluut .. De objectieve wereld, aan de andere kant, die de wetenschap in pure vorm tracht te kristalliseren .. is relatief. ..
Wie streeft naar het absolute moet subjectiviteit en egocentrisme op de koop toe nemen, en wie objectiviteit wil bereiken kan niet om het probleem van relativisme heen.
". (Wehl, H., 1927/1949, p. 83/ p.116; geciteerd in: Popper, K.R., 1934/1959, p.111).
"As far as the laws of mathematics refer to reality, they are not certain; and as far as they are certain, they do not refer to reality." (Albert Einstein, 'Sidelights on Relativity', in: J.R. Newman, 'The World of Mathematics', 1956).

(10)

Gaandeweg groei van kennis.


We kunnen een model van de werkelijkheid systematisch toetsen aan de dynamische processen in de werkelijkheid - op proces niveau - en haar op grond van de bevindingen in variŽrende omstandigheden bijstellen, aanscherpen en verfijnen.
Zo kunnen we een model gaandeweg 'uitzuiveren' van drogredenen, illusies, enz., en daardoor gaandeweg dichter bij de realiteit komen. Een werkelijk 'definitief' antwoord zal dit nooit opleveren, maar - zoals gezegd - dat hoeft ook niet. Het is geen onoverkomelijk beletsel voor zinvolle en wenselijke toepassingen. Uiteindelijk is dat het doel van kennis.

"The belief in an external world independent of the perceiving subject is the basis of all natural science.
Since, however, sense perception only gives information of this external world of 'physical reality' indirectly, we can only grasp the latter by speculative means.
It follows from this that our notions of physical reality can never be final. We must always be ready to change these notions - that is to say, the axiomatic basis of physics in order to do justice to perceived facts in the most perfect way logically
."
(Albert Einstein, Maxwell's influence on the evolution of the idea of physical reality.
On the one hundredth anniversary of Maxwell's birth. Physics and Reality. IV. The Theory of Relativity. Published, 1931, in: James Clerk Maxwell: A Commemoration Volume, Cambridge University Press. From: The Journal of the Franklin Institute, Vol.221, No. 3. March, 1936. Reprint in: 1994, Ideas and Opinions, p.318-356; p.337)
.
"In a time of universal deceit, telling the truth is a revolutionary act." (G. Orwell).

(11)

Ruimte voor nuances.


Het blijft belangrijk om het verschil goed te blijven (h)erkennen tussen afbeelding en object, c.q. 'kaart' en 'gebied'.
Ons kenvermogen zal altijd beperkt en feilbaar zijn. In vakgebieden als filosofie en psychologie zijn talloze tekortkomingen aangetroffen in de algemene menselijke oordeelsvorming. Dat kennis niet fundamenteel te gronden is, althans tot op een ultieme basis van zekerheid - die volmaakt objectief, absoluut, allesomvattend, kortom in alle opzichten perfect is - staat inmiddels ook buiten kijf. Maar dat weten we eigenlijk al minstens 2500 jaar, sinds klassieke Chinese, Indiase en Griekse denkers.
Dat alles doet niets af van de overweldigende massa's bewijzen dat kennis wel degelijk heel behoorlijk, in alle redelijkheid, tot op grote hoogte objectief en betrouwbaar kan zijn.

Daarmee vervalt de grond voor elke vorm van 'absoluut relativisme', dat we aantreffen in sommige filosofische stromingen zoals het postmodernisme, en ideologieŽn als New Age. Relativeren is onmisbaar om inzichten en standpunten te nuanceren. Maar overdreven relativisme vervlakt alle nuances en loopt al te gauw uit op nihilisme, apathie en cynisme.
Een typische New Age uitspraak als 'ieder heeft zijn eigen waarheid' kan beter geformuleerd worden als: 'ieder heeft zijn eigen beleving van de werkelijkheid'.

"We moeten toch erkennen dat de rebel die de spot drijft met de waarheden van wiskunde, natuurkunde en scheikunde niet echt van dezelfde soort is als degene, die de vloer aanveegt met [sociaal-culturele] conventies." (Edward Sapir, 1963).
"De bakker is belangrijker dan welke schrijver of denker ook. Dat het brood van vandaag even eetbaar zal zijn als dat van gisteren, is een zekerheid die logisch gezien betwijfeld kan worden, maar waarmee we desondanks probleemloos kunnen leven." (Ludwig J.J. Wittgenstein, 1921; 1953).
"Niemand relativeert het nummer van zijn creditcard." (MichaŽl Zeeman (1958-2009), schrijver, dichter, literatuurrecensent en televisiepresentator. N.a.v. C. Ginzburg, Italiaans historicus; 02-11-2002).
"Show me a cultural relativist at 30,000 feet and I'll show you a hypocrite ... If you are flying to an international congress of anthropologists or literary critics, the reason you will probably get there - the reason you don't plummet into a ploughed field - is that a lot of Western scientifically trained engineers have got their sum right. " (Richard Dawkins, 'River Out of Eden: A Darwinian View of Life', 1995).

(12)

Objectiviteit en subjectiviteit: geen echte tegenstelling.


Onze waarnemingen en gedachten over de wereld zijn altijd en onvermijdelijk een mix van gegevens van buitenaf (exogeen) en van projecties van binnenuit (endogeen). We kunnen in de inhoud van kennis een onderscheid maken tussen subjectief en objectief, om een verschil in herkomst van de informatie aan te geven. Deze begrippen zijn echter niet polair, maar onderling onafhankelijk.
(a) Elk kengegeven is primair en onvermijdelijk subjectief ('subject-bepaald') .
(b) Elk kengegeven kan daarbij min of meer objectief zijn ('object-bepaald') - zij het nooit volkomen, en nooit mťťr dan dat zij subjectief is.
Kengegevens zullen dus altijd intrinsiek subjectief zijn, maar ze hoeven dus noodzakelijke uitsluitend subjectief te zijn. Ze kunnen heel goed zowŤl subjectief als - tot op zekere hoogte - objectief zijn.

(13)

Objectiviteit wijst de weg naar causaliteit.


Uit het voorgaande volgt een heel praktische vuistregel over de relatie tussen objectiviteit en causaliteit:
Naarmate kennis object-bepaald is, is ze objectief, en maakt ze het mogelijk het object te voorspellen, en daardoor, afhankelijk van beschikbare middelen, het te bepalen en te beonvloeden.
"Objectivity is a tool." (Hildebrand 2010).

Samenvatting.


Het bovenstaande samengevat: een plattegrond dient om een bepaald gebied weer te geven. Maar geen enkele kaart geeft een perfecte afbeelding van het gebied. Sommige kaarten voldoen echter prima als bruikbare afbeelding van het gebied. En sommige kaarten geven een betere afbeelding dan andere (afhankelijk van de toepassing). Daarom kunnen kaarten wel degelijk op hun betrouwbaarheid beoordeeld worden. En vaak kunnen ze verder worden verbeterd.
Groei van kennis is dus wel degelijk mogelijk.

8. Objectiviteit als streefdoel



(1)

Een haalbaar streefdoel.


Bij dit alles is ťťn ding duidelijk: aan niet-objectieve kennis hebben we niet veel.
objectiviteit is nooit geheel te bereiken, maar het is wel mogelijk en vaak ook zinvol om ernaar te streven: althans te streven naar een waarheidsgelijkenis, een objectiviteit sgehalte dat voldoende is om met succes onze doelen te behalen.
"Het idee van een algemene objectieve waarheid is ' de poolster van elk wetenschappelijk werk'." (H.W. von der Dunk, 2007, 'In het huis van de herinnering. Een cultuurhistorische verkenning').
"Truth is a goal of inquiry." (Wrenn 2005, p.95).

(2)

Gericht speuren naar cruciale schakels.


Bij het streven naar objectiviteit - dat wil zeggen: een hoge graad van relatieve objectiviteit - is het doel dus niet zozeer om de gehile werkelijkheid te omvatten, maar eerder om de 'werking' op langere termijn van een bepaalde deelgebied te doorgronden: het onderliggende netwerk van causale mechanismen en wetmatigheden, de structuur.
Dat zal met name gelden voor de factoren die bepalend zijn voor ons functioneren en ons welbevinden: onze materiŽle omstandigheden, onze fysieke gezondheid, ons sociale, emotionele en seksuele leven, en ons subjectieve welbevinden.
".. Ofschoon het absolute inderdaad kan worden ervaren, en om die reden intuotief kan worden gevoeld, weigert zij zich in woorden te laten uitdrukken. Want 'Spricht die Seele, so spricht, ach! schon die Seele nicht mehr' (Wanneer de ziel spreekt, dan, helaas, is het al de ziel niet meer die spreekt)." (Reininger, R., 1916, p.29; geciteerd in Popper, K.R., 1934/ 1959, p.111).

9. Extra criteria voor de sociale wetenschappen



Een interessante vraag voor de sociale wetenschappen is hoe we betrouwbare kennis kunnen vergaren over verschijnselen, die niet direct empirisch zijn waar te nemen: bijvoorbeeld over kwaliteit van subjectieve beleving die mensen - en wellicht dieren - kunnen ervaren. Het blijkt uiterst simpel om over deze zaken oeverloos veel ideeŽn en overtuigingen te construeren, maar deze blijven al te vaak neerkomen op subjectieve meningen die grenzeloos rekbaar en plooibaar zijn en daarom altijd wel 'waar te maken' zijn.
De kunst is om aanvullende of alternatieve criteria op te stellen om enigszins objectieve kennis over verschijnselen in deze onderzoeksgebieden haalbaar te maken.


C.P. van der Velde, april 2005.

Zie verder ..