Methode 'Praktische Logica':

 

Modelvorming



Beperkingen van menselijke kennis en oordeelsvorming.



Bijlage bij artikel

Tolerantie binnen de grenzen

.
C.P. van der Velde, 1993.
3.2: Donderdag 1 mei 2008 13:03.



Inleiding: oordeelsvorming en informatieverwerking.



Wat kunnen wij mensen eigenlijk weten over de werkelijkheid - de wereld, en in het bijzonder 'de mens', onze eigen aard, hoedanigheid en werking?

We vormen onze ideeŽn en oordelen over de werkelijkheid door middel van ons oordeelsvermogen. Dit is onderdeel van onze verwerking van informatie.
Over het begrip informatie bestaan welhaast ontelbare opvattingen, maar hierin is wel een lijn te bespeuren. Het begrip informatie heeft een zinvolle, zelfstandige functie als we het onderscheiden van louter fysische ordening, en opvatten als ordening van bewuste ervaring. Hierin behoren de abstracte patronen dan tot de mentale constructies. De subjectieve inhoud kan een bepaalde 'informatieve waarde' hebben: dus ook een bepaalde graad van objectiviteit.
{Zie verder: Dimensies van informatie: gegevens van verschillende bronnen en niveau's. }

Op basis van miljarden flarden informatie uit onze zintuigen en (neuro)fysiologische processen construeren we een model van de werkelijkheid (Vgl. invariantenvorming: Hebb, 1949; Kelly, 1955; Heider, 1958; creatieve synthese: Bergson, 1907; analyse-door-synthese: Neisser, 1967, 1976).
{Nb.

Verschillende termen voor het wereldmodel.


Het begrip 'voorstelling van de wereld' kunnen we terugvinden onder verschillende noemers in allerlei theorieŽn binnen diverse wetenschapsvakken. Zie hiervoor de zeer beknopte samenvatting: Principes van Modelvorming, Mogelijkheden van kennis, informatie en logica; Hoofdstuk 3, Modelvorming. }

Onze voorstelling van de werkelijkheid is te vergelijken met een landkaart, of plattegrond, waarmee we onze weg in de wereld verwachten (of hopen) te vinden. Er zijn altijd grote verschillen tussen de kaart en het gebied dat ze weergeeft. Ten opzichte van het afgebeelde gebied heeft de doorsnee landkaart meestal de volgende eigenschappen:
(1) Ze is vele malen kleiner, qua fysieke omvang en informatiecapaciteit,
(2) Ze is vaak tot minder dimensies teruggebracht - is bijvoorbeeld een stuk platter (behalve bijvoorbeeld macquettes),
(3) Ze is altijd veel eenvoudiger: is een gestileerde weergave;
(4) Ze bevat minder gegevens, details, kleurnuances: verreweg de meeste zaken zijn weggelaten;
(5) Al met al geeft de kaart het terrein dus aanmerkelijk grover weer.

Ons wereldbeeld kan en zal nooit volledig overeenkomen met de werkelijkheid; volgens het principe van non-identity: "The map is not the territory" (Korzybski, 1933).
Menselijke 'kennis' over de werkelijkheid is altijd subjectief, relatief, onvolledig, en in zekere mate onnauwkeurig, willekeurig, en partijdig (o.m. Korzybski, 1933; Wehl, 1927/1949, p.83, 116; Popper, 1934/ 1959, p.111; Lakatos, 1970; Kahneman, Slovic en Tversky, 1982).
"Alle wetenschap is, afgemeten tegen de werkelijkheid, primitief en kinderlijk". (Albert Einstein, geciteerd in: 'The Expanded quotable Einstein', 2000).
{Zie verder: Principes van 'Modelvorming': de mogelijkheden van kennis, informatie en logica. }

Veel voorkomende waarnemings- en beoordelingsfouten.



Uit de beperkingen van ons informatieverwerkingssysteem vloeien allerlei tendenzen tot waarnemings- en beoordelingsfouten voort. Hieronder zullen we kort de volgende categorieŽn van beperkingen bespreken:


1. PrincipiŽle (filosofische) beperkingen



Het vergaren en toepassen van betrouwbare kennis is niet altijd eenvoudig.

a. Beperkingen in de fase van kennisvergaring.


Ten eerste spelen er in de fase van het verzamelen van informatie c.q. het opdoen van kennis (de context of discovery), een aantal beperkende factoren. Hierdoor is elke voorstelling die we ons maken van de werkelijkheid relatief. Voorbeelden:
(·)

Beperkte capaciteit: dus onvolledig.


In het dagelijks leven staan we voor de opgave om met onze hersenen van pakweg anderhalf kilo enig benul te krijgen van de werkelijkheid om ons heen. Ten opzichte van het welhaast oneindig veelomvattende en complexe universum is ons waarnemings-, ken- en bevattings- vermogen uiterst beperkt en feilbaar. Daardoor hebben mensen nooit volledige kennis over zaken in de werkelijkheid ('non-allness': Korzybski, 1933). Slechts een fractie van onze fysische omgeving wordt door onze zintuigen geregistreerd.
"De wereld is zo'n doolhof van dingen, zo gecompliceerd, dat geen bewering compleet is"
(Stefan Themerson, 1910-1988).
(·)

Alleen indirect toegankelijk.


We kunnen de werkelijkheid slechts kennen via onze (zeer beperkte, feilbare en kwetsbare) zintuigen, zenuwbanen en hersenorganen - dus nooit rechtstreeks, nooit an sich (zie bijv: Kant, 1781).
Zoals de Amerikaanse filosoof Richard Rorty (1980) zei: "We kunnen nooit uit onze eigen geest klimmen".
Al ons weten is subjectief: "Wat kenbaar is, volgt uit de wisselwerking tussen waarnemer en het waargenomene, en nooit uit de onafhankelijke eigenschappen van het waargenomene op zich" (Walsh, R.N., 1979, p.180).
"The truth of a theory is in your mind, not in your eyes." (Albert Einstein, geciteerd in: H. Eves, 'Mathematical Circles Squared', 1972).
(·)

Verwerving via aangeboren mechanismen: daardoor 'automatisch'.


We hebben allerlei aangeboren mechanismen - voorbewuste en buitenbewuste neurologische en psychische mechanismen - die de 'inkomende' informatie volgens a priori vastliggende schemata bewerken, en wel onmiddellijk, min of meer 'automatisch' en met ingrijpende gevolgen.
{N.b. Bijvoorbeeld de zgn. Kantiaanse categorieŽn van het verstand in de filosofie (Kant, 1781); of de zgn. Gestalt-principes in de waarnemingspsychologie. Zie verderop voor meer details. }
(·)

Beperkt waarnemingsbereik: dus voorwaardelijk.


Alle informatie is altijd afhankelijk van de gegeven randvoorwaarden in tijd, ruimte, materie, energie, enz., waaronder ze wordt verzameld, bewerkt of gecreŽerd; en geldt daardoor hoogst voorwaardelijk. Ze impliceert dus strikt logisch genomen niets voor mogelijke waarnemingen op een andere tijd en/of plaats - is zeer relatief.
(·)

Niet-actueel.


Elke voorstelling van zaken is moment-gebonden, wordt achteraf gevormd, en zal daarom nooit stipt actueel zijn. (Vgl. de 'tijdbinding' van Korzybski, 1958).
Zoals reeds de Griekse wijsgeer Heraclites van Efese (6e eeuw voor C.) zei: "Alles stroomt" (panta rei); en zijn leerling Cratylus "Je kunt nooit tweemaal in dezelfde rivier stappen". Dit werd bij Plato "Niets is ooit, maar alles wordt", en bij diens leerling Aristoteles "Niets is standvastig".
(·)

Fantasie.


Een mentale voorstelling houdt altijd bepaalde verwachtingen in over de werkelijkheid, dus voorspellingen, waarvoor cognitieve constructie, creatief denken en verbeeldingskracht vereist zijn. Alle theorie is daarom gedeeltelijk fantasie.
(·)

Onnauwkeurig.


Uit de beperkingen van ons informatie- verwerkings- systeem vloeien allerlei tendenties tot waarnemings- en beoordelingsfouten voort. Het gevolg is een zekere versimpeling en vervorming van beschikbare informatie.
(·)

Voorbewuste selectie.


Wat we bewust kunnen weten is slechts een miniscule fractie van wat we onbewust weten - en de inhoud ervan wordt bovendien vooral door voorbewuste selectie bepaald.
(·)

Partijdig.


Het verzamelen en bewerken van informatie wordt bewust of onbewust altijd gestuurd door allerlei interne lichamelijke en psychische processen en tendenties, zoals emotionele, seksuele of andere behoeften, doelen, driften en lusten; zodat kennis altijd partijdig is.
Iemand kan, bewust of onbewust, allerlei 'afweermechanismen' op informatie toepassen, zoals censuur, verdringing (repressie), onderdrukking (suppressie), ontkenning, enz. (zie o.m. Freud, 1952).
(·)

Situatie-bepaald.


We zijn voor ons leven en welzijn uiteindelijk volledig afhankelijk van omstandigheden in de omgeving, en daardoor laten we ons denken, voelen en beslissen gemakkelijk beÔnvloeden door situationele factoren, d.w.z. de lokale fysische, economische, sociaal-psychologische en culturele context (Bem, 1979).
(·)

Arbitrair.


Informatie kan nooit bestaan zonder een of andere kenmerkende vorm, of wijze van codering. Daardoor is ze altijd afhankelijk van een bepaald coderings- of taal-systeem. En daarmee is ze afhankelijk van conventionele, veranderlijke, en slechts vagelijk afgebakende, 'fuzzy' definities en betekenis- connotaties.
Meer algemeen is onze inhoudelijke informatie altijd tot op zekere hoogte afhankelijk van allerlei factoren vanuit de context of het 'kader' van die informatie. Deze factoren - cognitief, emotioneel, sociaal, maatschappelijk, enzovoorts - zijn uiteindelijk altijd toevallig, lukraak c.q. arbitrair.
(·)

Trendgevoelig.


Alle kennis, ook en 'zelfs' wetenschappelijke, is gebonden aan min of meer toevallige, sociaal- culturele normen, waarden, conventies, tradities en rituelen (de 'sensus communis' of 'communis opinio) - dus 'trendgevoelig'.

b. Waarheidsgehalte is moeilijk te bevestigen.


Vervolgens spelen ook in de fase van het toetsen en rechtvaardigen van kennis, (de context of justification) factoren een rol die afbreuk doen aan onze zekerheid. Bijvoorbeeld:
(·)

Wanorde domineert.


De maximale wanorde (chaos, entropie) betekent evenwicht, de dingen lijken te neigen tot wanorde, en daarom zal wanorde altijd waarschijnlijker zijn dan orde (volgens Ludwig Boltzmann, 1844, 1906).
(·)

Synthetische structuur.


Het lijkt vrij duidelijk dat niet alles volstrekt chaotisch is in de wereld, dus dat er regelmatigheden zijn te ontdekken, oftewel bepaalde ordeningspatronen. Maar een 'inherente' wetmatigheid, orde of structuur is voor ons niet kenbaar - enkel ťťn die wij zelf construeren: een synthetische structuur.
(·)

Speculatief en feilbaar.


Alle informatie geeft een voorstelling van zaken, veronderstelt daarmee algemene regels (synthetische oordelen) en daarmee bepaalde verwachtingen of voorspellingen over nog niet waargenomen omstandigheden. Maar we weten nooit wat de toekomst brengt, dus nooit bijvoorbaat of een toekomstige waarneming een uitzondering zal vormen op de algemene regel. Hierdoor brengt kennis altijd enige overgeneralisatie met zich mee. Algemene regels hebben een 'open' karakter, en blijven altijd speculatief, tendentieus en feilbaar (het zgn. inductieprobleem).
(·)

Niet volledig toetsbaar.


Meer algemeen geldt: empirische waarnemingen blijven in wezen altijd beperkt tot zichzelf. Hierdoor kunnen waarnemingen nooit een algemene regel in positieve zin bevestigen. Hierdoor is kennis nooit volledig te toetsen (zie Popper, 1934/ 1959).
(·)

Voorlopig (hypothetisch).


De verbanden die we leggen tussen een incidentele waarneming en een algemene regel berusten vaak zelf weer op andere algemene regels die we toepassen, die later onhoudbaar kunnen blijken. We kunnen dus ook niet stellen dat waarnemingen altijd algemene regels kunnen weerleggen. Verschijnselen zijn daardoor niet altijd volledig te determineren door - synthetische - algemene regels. Onze kennis is dan ook niet zonder meer definitief te bevestigen ůf te weerleggen. Ze blijft in principe altijd onvoltooid - is dus voorlopig, tentatief, hypothetisch (zie Popper, 1934/ 1959; Lakatos, 1970).

c. Beperkende effecten van generalisaties.


Een belangrijke component in deze modelvorming is het proces van generalisatie: het combineren van incidentele waarnemingen in heden en verleden, en daaruit afleiden van algemene regels, die we vervolgens toepassen op nieuwe, nog onbekende gevallen.
(·)

Versimpeling.


Elke generalisatie berust op een aantal bewerkingen van uitgangsgegevens:
(a)

Selectie:


Een beperkt aantal incidentele omstandigheden (de steekproef) uit een groter geheel (het domein, de populatie) wordt op regelmatigheden onderzocht. Deze selectie is echter niet per se voldoende representatief voor het gehele domein.
(b)

Generalisatie, binnen de selectie:


Hierna worden bepaalde kenmerken van de steekproefeenheden gebruikt voor de constructie van een algemene regel die allereerst voor elke steekproefeenheid dient te gelden. Dit vraagt dus om een tweede selectie, waarbij weer de nodige weglatingen plaatsvinden.
Het vereist verder voorwaarden voor interne validiteit: (1) dat de hele steekproef constant blijft, (2) dat alle situaties identiek zijn (ceteris paribus) (3) en dat alle steekproefeenheden gestandaardiseerd c.q. identiek zijn en daardoor onderling uitwisselbaar.
Daarnaast zijn er eisen voor statistische conclusie-validiteit: een regelmatigheid in het domein kan alleen worden aangenomen als de gevonden steekproefstatistieken, zoals correlatie- en regressie-coŽfficiŽnten, voldoende significant zijn te beschouwen dat wil zeggen afwijkend van pure toevalsvariantie. Vervolgens is een algemene regel enkel geldig als ze voldoende voorspellende kracht heeft, dus de correlatie voldoende variantie verklaart. De aanname is daarbij dat alle eventuele uitzonderingen in de steekproefwaarden (residuals) uitsluitend voortkomen uit toevalsruis (random error) en niet uit systematische factoren of covariaten (systematic error, of bias).
(c)

Externe generalisatie:


De algemene regel wordt vervolgens vaak geldig verklaard voor de gehele populatie (extrapolatie, inductie). Het is de vraag of dit gegrond is (externe validiteit): (1) Het domein kan ondertussen veranderd zijn; (2) de constructie van het populatiemodel hoeft niet correct te zijn; (3) de 'fit' van algemene regels met het referentiŽle domein is nooit 100 procent.
(d)

Applicatie:


Hierna kan een nieuw incidenteel geval worden geselecteerd waarop de algemene regel kan worden toegepast. Een zinvolle voorspelling voor individuele gevallen oftewel 'N=1' steekproeven (deductieve validiteit) stelt echter vťťl hogere eisen aan de correlaties dan in geval van voorspelling van gemiddelde steekproefwaarden. Bovendien kan ondertussen het domein nog verder veranderd zijn.
Bij elke stap in deze keten kunnen allerlei storingen en vervormingen optreden. Met als gevolg een opstapeling van afwijkingen in het laatste stadium, de toepassing waarvoor de generalisatie oorspronkelijk bedoeld was.
Sterke generalisaties kunnen nadelige gevolgen hebben zoals: beperkende vormen van simplisme, 'automatismen', vooringenomenheid, enzovoorts.
(·)

Verabsolutering van generalisaties.


Feiten en meningen worden verward (Ellis & Harper, 1980), en de subjectiviteit wordt verdoezeld (absolutism: Ellis, 1974; doctrine over person: Lifton, Robert Jay, 1976; lost performative: Bandler & Grinder, 1975/ 1977, p.108-109).
(·)

Starheid.


Generalisaties kunnen wijzen op al te simpele, te 'sterke', te strakke, te strikte of te starre 'leef-regels' in een voorstelling over de werkelijkheid. Met als mogelijk gevolg dat hierin weinig of geen speelruimte wordt gelaten voor eventuele uitzonderingen of onverwachte nieuwe ontwikkelingen in gebeurtenissen en siuaties.
(·)

Beperking van keuzevrijheid.


Generalisaties kunnen in iemands voorstelling van de werkelijkheid de detaillering en de rijkdom verwijderen die nodig is om een verscheidenheid aan keuzemogelijkheden te hebben om met bepaalde situaties om te gaan. Hierdoor wordt de persoonlijke keuzevrijheid beperkt.
(·)

Mogelijke problemen.


Door generalisatie van ervaringen kan iemands visie op de werkelijkheid uit perspectief of buiten proportie raken, zodat verwarring en overmatige of misplaatste emoties het gevolg kunnen zijn, hetgeen tot persoonlijke problemen kan leiden.
Het is daarom 'in het algemeen' raadzaam om met gezonde skepsis om te gaan met algemene regels, instructies of standaard-oplossingen, en deze niet automatisch, ondoordacht of onvoorwaardelijk toe te passen.

2. Psychologische beperkingen en tendenties.



a. Aangeboren mechanismen:


Bijvoorbeeld:
(1) De zgn. Kantiaanse categorieŽn van het verstand (I.Kant, 1781); met betrekking tot:
(a) kwantiteit: eenheid, veelheid, alheid;
(b) kwaliteit: bevestiging, ontkenning, beperking;
(c) relatie: substantie, causaliteit, interactie;
(d) modaliteit: mogelijkheid, gegevenheid, noodzakelijkheid.
(2) De zgn. Gestalt-principes in de waarnemingspsychologie, gebaseerd op de pregnantietendens (Pršgnanztendenz): met name het streven naar de grootste herkenbaarheid (de 'goede Gestalt') bij de grootste samenhang in het waarnemingsveld ('das Ganzfeld').
Voorbeelden van de laatste zijn:
(a) Het bepalen van figuur-achtergrond contrast, op grond van kenmerken zoals: geslotenheid (enclosure), omvang en verdeling in het waarnemingsveld, eenvoud c.q. regelmatigheid, vertrouwdheid c.q. herkenbaarheid, relatieve beweeglijkheid, en lichtval- effecten zoals schaduwwerkingen;
(b) Diepte-perceptie (perspectief), op grond van: bedektheid in het waarnemingsveld (superpositie cq. eminentie), hoogte in het waarnemingsveld (superpositie cq. altipositie), relatieve grootte van objecten (zie ook c), textuur-gradaties, convergentie danwel divergentie van lijnen; en
(c) Correcties van ruimtelijk-anatomische relaties, bij variŽrende ruimtelijke posities, door het 'ad hoc' introduceren van constantie: helderheidsconstantie, plaatsconstantie, vormconstantie, grootteconstantie (perspectiefwerking), constantie van de lichtbron, constantie van beweging, constantie in waarnemingsvolgorde;
(d) Het aanbrengen van helderheidscontrasten (licht-donker) in het blikveld, door middel van: voorrang aan de over-all opbouw (de 'grote lijn'), en vereenvouding van helderheidsvariaties.
(3) Andere voorbeelden van aangeboren psychische mechanismen die onze waarneming beÔnvloeden zijn:
(a) De 'oriŽntatie- reactie' in de cognitieve psychologie (Sokolov,1976; Kreidler & Kreidler, 1976);
(b) De 'wijsheid van het organisme' in Gestalttherapie (Perls, 1951, 1965);
(c) Het 'onbewust probleem-oplossend vermogen' in Ericksoniaanse hypnotherapie (Erickson & Rossi, 1977).

b. Waarneming en informatieselectie.


(1)

Invloed van fysiologie.


Ons waarnemen kan sterk vertroebeld worden door fysiologische factoren (lichaamsgevoelens) en emoties.
(2)

Subjectieve tijdschatting.


De menselijke tijdschatting ('psychologische tijd') is onnauwkeurig.
(3)

Toevallige prioriteiten.


Dingen krijgen (bewuste) aandacht door toevallige omstandigheden zoals:
(a)

Waarnemingsvolgorde (order effects).


Nadruk krijgen vooral begin (primacy effect) en einde (recency effect).
(b)

Contraststerkte.


(·) Contrasten worden versterkt ten koste van nuances (laterale inhibitie); en
(·) Geleidelijke overgangen vervloeien tot een doorlopend geheel (assimilatie).
(c)

Frequentie.


(·) Hoge frequentie: neiging tot het gemiddelde (error of central tendency; nivellering); en (schijnbaar) meer frequente verschijnselen nemen we gaandeweg diffuser waar (habituatie).
(·) Lage frequentie: meer aandacht voor extreme uitzonderingen (accentuering).
(d)

Subjectieve relevantie.


Criteria vanuit min of meer 'toevallige' mentale mogelijkheden en beperkingen. Bijv.:
(·) 'denkbaarheid' (imaginability);
(·) concreetheid (zintuiglijk-gerichte referentie);
(·) ruimtelijke nabijheid (Nisbett & Ross, 1980, p.62);
(·) haalbaarheid;
(·) afzienbaarheid van een taak (feasibility).
(·) (Subjectieve) prikkelrijkdom.
Variatie, diversiteit, levendigheid (liveness, vividness): mede bepaald door emotionele relevantie.
(·) (Subjectieve) prikkelintensiteit.
Sensatie, suspense, spectakel, dramatisch gehalte, enz.
(·) Subjectieve voorkeur.
Als de beschikbare informatie kwantitatief toeneemt, is het niet zo dat de kwaliteit van die informatie toeneemt (m.n. accuraatheid), maar wel vaak het subjectieve vertrouwen erin (Oskamp, 1965, p.292).

c. Beperkingen in cognitieve capaciteit.


(·) We gebruiken maar een zeer beperkt deel van onze geheugeninhoud (long term memory) bij het verwerken van inkomende informatie (in het short term memory).
(·) Slechts een fractie van de psychische inhoud die we op een moment verwerken is toegankelijk voor onze bewuste subjectieve beleving.
(·) Slechts aan een deel van wat we op een moment bewust ervaren kunnen we tegelijk gerichte bewuste aandacht besteden - in het zgn. bewuste aandachtsvenster ca. 7±2 items - en dan nog kortdurend.
(·) Vanwege ons beperkte oordeelsvermogen passen we allerlei mentale 'foefjes' of cognitieve 'trucs' toe (zgn. mental shortcuts; zie Kahneman, Slovic en Tversky, 1982).
(·) Selectie, deletie, reductie: Op grond van allerlei aangeboren en aangeleerde cognitieve schema's 'filteren' we de informatie die we voorbewust waarnemen, herinneren of fantaseren. 'Perceivers pick up only what they have schemas for and willy-nilly ignore the rest' (Neisser, 1976, p.80).

d. Creatieve fantasie, omwille van 'cognitieve idealisering'.


(·) We geven op een actieve, constructieve manier betekenis aan wat we waarnemen (vgl. Gestalt-psychologie, o.m. KŲhler, 1929; Koffka, 1935).
(·) Cognitieve idealisering: Om uiteindelijk concrete beslissingen te kunnen nemen over te nemen acties, staat ons zenuwstelsel voor de taak om de vele keuzemogelijkheden die de beschikbare informatie herbergt, terug te brengen tot een ordelijk netwerk van 'ja/nee' - vragen. Het cognitieve vermogen heeft de neiging om de informatie voor dat doel te 'idealiseren'.
(·) Omwille van praktische hanteerbaarheid (cognitieve ergonomie) vereenvoudigen we beschikbare informatie. In percepties worden vereenvoudigingen aangebracht (stilering).
(·) Het onderscheid wordt verwaarloosd tussen verschillende abstractieniveau's in informatie: bijvoorbeeld de niveaus van fysisch domein, empirische gegevens, benoeming (labeling), beschrijving (descriptie), beoordeling (inferentie, deductie), en waardering (evaluatie) (vgl. de structurele differentiaal, Alfred Korzybski, 1921, 1925, 1933).
(·) Projectie van subjectieve inhouden op objectieve feiten.
Voorbarig toekennen van betekenis aan observaties. We benaderen het gehele waarnemingsveld noodzakelijk via het 'creatieve filter' van ons opgebouwde wereldmodel, dat ons referentiekader vormt ('Thomas-theorema', naar William Thomans, socioloog). Hierdoor nemen we in onze 'Bubble of Perception' veel meer waar dan wat feitelijk waarneembaar is: we gaan 'beyond the information given' (Bruner, 1957a).

e. Ongefundeerde generalisatie.


(·) Regels worden soms opgesteld die evident strijdig zijn met de direct waarneembare werkelijkheid, algemeen bekende feiten, logische wetten en bewezen wetmatigheden.
(·) Regels worden soms louter opgesteld vanuit vooroordelen, geruchten, 'hear say' en dergelijke, in plaats van directe waarnemingen van concrete gevallen. Zeg maar via een 'N=0' steekproef.
(·) Regelmatigheden in subjectieve waarnemingen worden opgevat als regelmatigheden in objectieve processen (neiging tot objectivering).
(·) Regels worden nogal eens opgesteld op grond van vervulbaarheid of mogelijkheid (contingentie) in plaats van waarschijnlijkheid of logische geldigheid.
(·) Associatief redeneren.
Associatieve ordening: Percepties worden met elkaar geassocieerd en in klassen geordend op grond van gedeeltelijke overeenkomsten (categorisering). Volgens criteria zoals Aristotelis' associatiewetten, of Brown's criteria voor associatiesterkte.
(1) Gelijkenis in uiterlijk (similitude).
CategorieŽn die verwante kenmerken omvatten worden gedachteloos samen toegepast (logical error).
(2) Verschil in uiterlijk (contrast).
(3) Naburigheid in ruimte (proximiteit).
Regels worden vaak opgesteld vanuit toevallig beschikbare voorbeelden (availability bias).
(4) Naburigheid in tijd (correlatie); Gelijktijdigheid (simultaneÔteit).
Toevallige coÔncidenties worden al gauw opgevat als systematisch (drogreden: cum hoc, ergo propter hoc: Hamblin, 1970; illusory correlation: Chapman & Chapman, 1967; 1969).
(5) Opeenvolging, volgorde (sequentie).
(·) Selectieve generalisatie: Uit een geheel wordt zomaar een deel geselecteerd en hierop wordt een abstractie gebouwd (selectieve abstractie: Beck, 1970).
(·) Regels worden opgesteld op grond van een beperkt aantal exemplaren (een steekproef) van de gehele klasse (de populatie) (representativeness heuristic; voorbarige inductie, externe generalisatie, of extrapolatie; drogreden: fallacia secundum quid, of fallacia (a dicto) secundum quid (ad dictum simpliciter): Hamblin, 1970; sweeping generalization; overgeneralisatie: Beck, 1970; Bandler & Grinder, 1975/ 1977, p.91, p.98-105).
Bijvoorbeeld via een 'N=1' steekproef.
(·) Voor een klasse wordt op basis van het 'gemiddelde' van een beperkte steekproef, een representatief exemplaar, 'ideaaltype' of stereotype geconstrueerd (stereotypering) - dat in het algemeen volkomen fictief en illusoir is.
(·) Uitzonderingen worden verwaarloosd - tenzij ze extreem zijn.
(·) Aan continue processen in de wereld wordt (fictieve) constantie toegekend ('tijdbinding': Korzybski, 1933).
(·) Incidentele toestanden worden opgevat als voldongen feit (fait accompli; finaliteit: zie Bourland, 1965, 1966; 1968; 1969, p.69).
(·) Geleidelijke overgangen worden omgezet in strikte scheidingen (van continu naar discrete verdeling: analoog-digitaal conversie; drogreden: tertium non datur; dichotomous reasoning: Beck, 1970; binaire oriŽntatie: Korzybski, 1933; Hayakawa, 1976; bipolair, compartimenteel denken, denken in extremen; polariserende tendens: Leech, 1974/ 1976).
(·) Voorbarige of grove categorisatie:
Verschillen tussen exemplaren van verschillende klassen, en overeenkomsten tussen exemplaren van dezelfde klasse, worden overschat (accentuerend effect van classificatie: Tajfel & Wilkens, 1963, 1969, 1973, 1978).
(·) Generalisaties op basis van een beperkt aantal waarnemingen worden zonder meer op andere of toekomstige gevallen toegepast (drogreden: fallacia simpliciter: Hamblin, 1970).

f. Ongefundeerde generalisatie over oorzaken en gevolgen (causale determinatie/attributie).


(·) Causale regels worden opgesteld op basis van een willekeurige begintoestand met arbitraire initiŽle waarde (anchoring).
(·) Er wordt niet of nauwelijks gelet op chronologie van mogelijke oorzaken en mogelijke effecten.
(·) Het gelijktijdig optreden van dingen (coÔncidentie, correlatie, synchroniteit, simultaneÔteit) wordt snel als een causaal verband gezien (drogreden: cum hoc, ergo propter hoc, Hamblin, 1970; circumstantial evidence).
(·) Wanneer een opeenvolging van gebeurtenissen (chronologie, sequentie) wordt opgemerkt, dan wordt deze snel voor een causaal verband aangezien (drogreden: post hoc, ergo propter hoc, Hamblin, 1970).
(·) Er wordt niet of nauwelijks gelet op proporties tussen mogelijke oorzaken en mogelijke effecten.
(·) Gebeurtenissen worden op slordige of lukrake wijze toegeschreven aan oorzaken (attribution errors: Ross, 1977; arbitrairy inference: Beck, 1970).
(·) Statistische significantie van een stochastische variabele binnen de steekproefgegevens wordt opgevat als een kanswaarde voor de geldigheid van de causale hypothese op het niveau van de gehele populatie.
(·) Er wordt niet of nauwelijks gedacht aan het specifieke (veronderstelde) causale mechanisme tussen mogelijke oorzaken en mogelijke effecten op het niveau van het referentiŽle domein.
(·) Er wordt te snel geredeneerd van het algemene naar het specifieke. Voorbarige toepassing van een algemene regel (applicatie); voorbarige extrapolatie, deductie of instantiatie (drogreden: Fallacia simpliciter, Fallacia (a dicto) simpliciter (ad dictum secundum quid) (Hamblin, 1970); Argumentum a priori; voorbarige deductie/ derivatie; overdeterminatie).
(·) Er worden snel ongefundeerde voorspellingen gedaan (Walen, DiGuiseppe & Wessler, 1980, p.75).

g. Tactisch gebruik van generalisatie.


(·)

Omzeilen van kritische weerstand.


Weinigzeggende algemeenheden worden door mensen sneller geaccepteerd dan heel specifieke beweringen (het Barnum effect, naar de Amerikaanse circusartiest P.T. Barnum, 1810-1891, meester in psychologische manipulatie). Uitspraken met een brede scope (zgn. 'fluff-talk') zijn vaak zo wollig en plooibaar geformuleerd dat ze volop ruimte bieden om naar willekeur en believen te worden opgevat en te worden toegepast. Ze kunnen daardoor dienen om iemands waakzaamheid, kritische houding en weerstand te verminderen, om vervolgens gemakkelijker andere, min of meer indirect-sturende informatie in te kunnen brengen ('binnen te smokkelen').
(·)

Maskerende functie.


Algemeenheden die in taaluitingen voorkomen hebben - evenals onlogische weglatingen of onderbrekingen - het effect dat bij de hoorder of lezer niet een specifiek 'beeld' wordt opgeroepen, eerder een soort mentale 'vlek' of 'mist'. Door middel van verbale 'rookgordijnen' kunnen de achterliggende gedachten van de spreker of schrijver worden versluierd. Dit kan wijzen op de aanwezigheid van een afgeschermd of verborgen zelf bij de laatste. Het laatste kan het gevolg zijn van verschillende factoren:
(a) Psychologische remmingen om zich meer 'transparant' te uiten (bijvoorbeeld vanuit de behoefte tot zelfbescherming als gevolg van traumatische ervaringen en/of een repressief sociaal klimaat);
(b) Meer doelbewuste pogingen om de eigen ware bedoelingen te verhullen, door middel van een 'verborgen agenda' (bijvoorbeeld vanuit pogingen de ander te manipuleren en/of te misleiden om hem/haar tot een gewenste reactie te brengen).
(·)

Verabsolutering van regels.


In culturen worden regels nageleefd die het sociale en maatschappelijke verkeer in goede banen moeten lijden. Deze regels zijn bedoeld voor mensen, niet omgekeerd. Er is echter het risico dat de regels in de praktijk op een gegeven moment belangrijker kunnen worden gevonden dan de mensen. De kans bestaat dat mensen dan primair worden benaderd en bejegend als objecten zonder gevoel, bewustzijn of subjectief besef, die mechanisch manipuleerbaar zijn.
(·)

Excuses voor machtsmisbruik.


Het komt voor dat mensen hun conclusies en beslissingen rechtvaardigen met een beroep op 'de regels', zoals formele voorschriften, wetten en opdrachten. Allereerst lijden deze regels vaak aan dezelfde manco's als boven genoemd. Bovendien zijn degenen, die deze regels moeten toepassen (bijvoorbeeld gezagsdragers, overheidsbeambten), meestal niet beter en zorgvuldiger in logica dan de meeste burgers (dus: behoorlijk slecht en slordig), terwijl ze daarin ook niet worden opgeleid of geÔnstrueerd. Hierdoor onstaat het risico dat mensen vanuit eigenbelang van deze ruimte gebruik maken (bijvoorbeeld uit machtswellust).

h. Zelf-bevestigend oordelen.


(·) Hoewel wij mensen behoorlijk rationeel lijken, zijn we in werkelijkheid sterk beperkt in ons leervermogen. Als iemand eenmaal een toestand als de werkelijkheid heeft aanvaard, blijft het voor hem/haar ook werkelijk (Thomas van Acquino). Als we eenmaal iets geleerd hebben zijn we nogal rigide in het toepassen ervan. We hebben de typisch menselijke neiging om vast te houden aan reeds aanvaarde, eenvoudige en gewaardeerde voorstellingen: om af en toe absolutistisch, dogmatisch, of doctrinair te denken.
Wanneer onze gedragspatronen of overtuigingen, bijvoorbeeld bij veranderde omstandigheden, belemmerend of overbodig zijn geworden, of op een andere wijze nadeel opleveren, hebben we vaak grote moeite om ze tijdig, flexibel en creatief bij te stellen (rigiditeit, vgl. sphexishness: Hoffstšdter, 1985). We zijn dus niet snel genegen om onze ideeŽn aan te passen in het licht van nieuwe informatie: we zijn conservatief en gaan niet gauw over tot accomodatie.
(·) Dingen worden beoordeeld op grond van vooropgezette verwachting (halo effect).
Doordat ons wereldbeeld weer terugkoppelt naar de waarneming, werkt ze als een soort filter (Bergson, 1907), of reducerend ventiel (Aldous Huxley, 1954/1971, pp.21-22). De ideeŽn die we over de werkelijkheid hebben zorgen ervoor dat we 'partijdig' perceptueel georiŽnteerd zijn op bepaalde aspecten van de omgeving. Hierdoor oefenen ze weer invloed uit op onze manier van (bewust of onbewust) waarnemen en informatie verwerken, waardoor ze zichzelf kunnen gaan versterken.
Bijvoorbeeld:
(·) 'Positieve terugkoppeling' (Wiener, 1948/ 1961).
(·) 'Zelf-reflexiviteit' (Korzybski, 1958).
(·) 'Perceptual readiness' of 'tuning' (Bruner, 1957b).
(·) 'Selectieve aandacht' (Colin Cherry, 1959; Norman, 1969).
(·) 'Zichzelf-vervullende voorspelling' 'Self-fulfilling prophecy' (Russell, 1927; Thomas & Merton, 1957), 'Pygmalion-effect' (Rosenthal, 1966; Rosenthal & Jacobson, 1968).
'Je ziet wat je verwacht te zien'.
(·) 'Wensdenken', 'Wishful thinking'.
'Je ziet wat je wenst te zien'.
(·) Het menselijke informatiesysteem streeft altijd naar minimale verandering voor een maximaal gunstig resultaat. We streven (onbewust) altijd eerder naar bevestiging dan weerlegging of zelfs maar betwijfeling van een reeds aanvaard idee.
We beschermen graag onze overtuigingen tegen incompatibele informatie (conservatieve tendens, conservation bias: Nisbett & Ross, 1980, p.176-177).
Hoe sterker de overtuiging, hoe groter de weerstand tegen verandering ervan. Daarom wordt strijdige informatie vaak onbewust genegeerd, of vroegtijdig gediskwalificeerd, of enigszins 'aangepast' (confirmation bias, positivity bias: Evans, 1989, p.41).
We vervormen informatie zodat ze zowel bij onze normen en waarden als bij onze behoeften en emoties past (assimilatie, distortie/ deviatie; pragmatisme, zie o.m. Vaihinger, 1924, p.15).
Ook toetsend wetenschappelijk onderzoek wordt vaak (onbewust) zo ingericht dat het met grote waarschijnlijkheid tot bevestiging van de favoriete ideeŽn van de onderzoeker leidt.
Nieuwe gegevens krijgen voorrang omdat ze tot bevestiging van het model bijdragen (overvalueing evidence), of worden juist genegeerd om consistentie te behouden en twijfel uit te bannen (ignoring evidence).
Mogelijke uitzonderingen en contra-indicaties worden het liefst zo lang mogelijk vermeden.
Wanneer twee overtuigingen strijdig zijn zal een persoon die overtuiging wijzigen, die hem subjectief het minste voordeel oplevert (cognitieve dissonantie: Festinger, Leon, 1957; Festinger & Carlsmith, 1959).

(·) Mensen kunnen werken met voorlopige aannames. Ze accepteren en gebruiken regels alsof ze logisch geldig zijn, tenminste zolang het tegendeel niet blijkt (default logic: Reiter, 1980).
(·) Elke toevoeging van een extra argument wordt opgevat als versterking van de conclusie - ook als dit geen relevante logische bijdrage levert.
(·) Mensen geloven snel in argumenten en redeneringen waarvan ze de conclusies geloven - ongeacht de geldigheid van de redenering (belief bias: Evans, 1989, p.70).
(·) Mensen accepteren vaak niet alle implicaties en consequenties van hun ideeŽn of overtuigingen - ook als die logisch onvermijdelijk zijn (Hempel, 1965).
(·) Mensen zijn echter - anders dan digitale, seriŽle computers - niet gericht op van totale logische consistentie (zoals het consistentie-criterium wil in de foundations theory).. Ze zijn immers niet in staat tot een volmaakt consequente, correcte en complete logische toetsing over hun gehele psychische c.q. cognitieve systeem.
Mensen passen eerder het coherentie-criterium toe in het kader van cognitieve ergonomie: ze zullen een bewijs hoogstens onderzoeken (toetsen) op de beschikbaarheid van voldoende premissen, en alleen wanneer dat bewijs in conflict is met reeds aanvaarde overtuigingen - zodat met minimale inspanning de coherentie behouden blijft. (Harman, 1986, p.29-30).
Dit door middel van het maximaliseren van coherentie - met 'waarheid' of 'logica' als ondergeschikt criterium. (Harman, 1986).
(coherent: gesloten onder logische voorwaarden; consistent: gesloten onder logische consequenties).
(·) Mensen hebben de neiging om een conclusie wat minder te vertrouwen wanneer ze een noodzakelijke aanname ervoor afwijzen - in plaats van de conclusie geheel te verwerpen (Witteman, 1993).
(·) Mensen zijn niet in staat om op correcte wijze confirmatieve waarden toe te kennen door middel van getalsmatige berekeningen (Sperber & Wilson, 1986; 1979).
(·) Mensen hebben voor veel informatie die ze tegenkomen een 'indifference towards truth' (John Stuart Mill).
(·) We kunnen ook een tijd lang in een min of meer repressief sociaal milieu geleefd hebben, waar het moeilijk voor ons was altijd de waarheid te spreken, zodat we gaandeweg vergeten zijn de waarheid te denken, en onszelf voor de gek zijn gaan houden met allerlei 'denkkronkels' (zelfbedrog).
(·) Vooral wanneer we in situaties van stress bevinden, waarin we ons verward, gespannen, onder druk gezet voelen, en we naarstig verlegen zitten om oplossingen; hebben we de neiging tot 'vrij associŽren' of 'brainstormen'. We beoordelen oplossingen typisch niet via logisch toetsing, maar 'quasi-proefondervindelijk', via mentale gedachte-en-gevoels-experimenten. Daarbij kunnen we hele reeksen drogredenen 'uit de kast halen', afwikkelen, en uitproberen - totdat we een combinatie vinden die onze ideeŽn en waarden ondersteunt, wat ons een 'prettig gevoel' geeft. De kans is groot dat de verwarring nog groter wordt en het middel erger zal blijken dan de kwaal.
(·) Een algemeen gegeven is, dat mensen ten aanzien van hun eigen gedrag, zeker wanneer dat henzelf beloont, niet graag afkeuring of tegenwerking krijgen. Daarom maken ze hun gedrag graag begrijpelijk en aanvaardbaar tegenover anderen (en zichzelf). En daardoor hebben ze de neiging hun gedrag, hoe onrechtmatig dat ook is, te willen rechtvaardigen - door het 'verdedigen van het probleem' - bijvoorbeeld door het te verklaren uit hun eigen nobele of tenminste onschuldige bedoelingen, dan wel uit 'verzachtende omstandigheden'.
(·) Veel menselijk gedrag wordt gedreven door simpel egoÔsme: zelfbehoud, eigenbelang, winstbejag. De 'publiekelijk' opgegeven reden die iemand voor zijn/haar gedrag is dan vaak enkel een rechtvaardiging of excuus, een rationalisatie 'achteraf'. In taal komt deze typisch tot uiting in de vorm van logische drogredenen en 'pseudo-psychologische' analyses. Bijv. een quasi-logische gedachtengang, een geÔmproviseerde 'ad hoc' redenering, met argumenten pour besoin de sa cause, door opportunistisch denken, ofwel gelegenheidslogica. Het zogenaamde 'goedpraten' of rationaliseren. Dat is dan geen rationeel denken maar rationaliseren.
(·) Een 'zuiver' logische gedachtengang kan soms met zich meebrengen dat we minder welkome feiten over ons zelf onder ogen zien, die ons ideaalbeeld van de werkelijkheid (anderen en onszelf) danig doen wankelen.
Ons oordeelsvormende 'ik' (het ego) probeert irrationele impulsdriften (het id) met ideaalnormen (het superego) te verenigen. Met name door het bewust of onbewust toepassen van zogenaamde defensiemechanismen op ongewenste informatie: psychische mechanismen ter bescherming tegen verontrustende inwendige of externe prikkels (zie o.m. Freud, 1951). Bijv. weerstand, censuur, verdringing (repressie), onderdrukking (suppressie), ontkenning, isolatie/ dissociatie. Vervolgens zijn er nog allerlei compensatiemechanismen: voorlopige schijnoplossingen 'bij gebrek aan beter'. Zoals troostgevende gedachten en gedragingen die het emotionele evenwicht enigszins herstellen (zie o.m. Freud, 1951). Bijv. ongedaan maken, uitstellen, afreageren, bagatelliseren, transformeren, loochenen, idealiseren, omkering in het tegendeel, reactievorming, projectie, introjectie/ identificatie, verplaatsing, overdracht, somatisatie, tegen zichzelf keren, regressie, depersonalisatie.

3. Quasi-logica



a. Deductie en logica.


Logica bestaat uit regels en richtlijnen, die de wetten en principes weergeven van elementaire ordeningsrelaties en daarom bepalend zijn voor alle informatie en vooral, voor alle waarde van informatie. We hebben altijd met logica te maken zodra we informatie verwerken. Met logica kan bijvoorbeeld de geldigheid van redeneringen en waarheid van conclusies worden beoordeeld.

Er zijn verschillende manieren waarop we de logica kunnen opvatten:
(a) De regels en wetten die door mensen zijn opgesteld over de algemeen gangbare regelmatigheden en conventies in het menselijk denken (zgn. psychologisme), waaronder de 'spelregels' in intermenselijke communicatie.
(b) Een neurologisch mechanisme van de hogere hersengebieden dat op de eerste plaats binnen het menselijk brein bestaat (fysicalisme).
Het is voldoende aangetoond dat we bepaalde aangeboren mentale tendenties hebben, of 'logische intuÔties', die ons vanaf onze geboorte stimuleren te denken volgens de regels van de logica (dit temidden van allerlei andere neigingen, driften en impulsen uiteraard).
(c) Een systematiek of abstracte ordening die inherent is aan de structuur van de kosmos: de universele, totale, fysische en mentale werkelijkheid.
Het is bekend dat we de 'objectieve' werkelijkheid nooit rechtstreeks kunnen kennen, maar alleen indirect, en hoe dan ook subject-bepaald, dus per definitie subjectief. Niettemin kan onze kennis heel vaak redelijk objectief zijn, Dit wordt duidelijk als we naar de bekende wetten van de fysische werkelijkheid kijken: hun voorspellende kracht is formidabel. (Een redelijk betrouwbaar principe is bijvoorbeeld de wet van zwaartekracht. We kunnen we allerlei theoretische kanttekeningen bij plaatsen, maar in de praktijk biedt ze weinig speelruimte en houden we er graag rekening mee). Daarbij steunen de fysische wetten in hoge en beslissende mate op logische principes, terwijl er onderling vele logische relaties bestaan (afgezien van sommige schijnbaar contra-logische, tot dusver slecht begrepen fenomenen in extreme regionen, zoals het quantum-fysische domein).
(N.b.: Popper, 1954, onderscheidt naast fysische wereld en psychische/ mentale wereld een aparte 'wereld van kennis'. Logischerwijze zou dat dan de logische wereld kunnen zijn).

Het is dus duidelijk dat logica in ieder geval een objectieve dimensie heeft.
Het valt bovendien op dat informatie vaak betrouwbaarder (objectiever) is, naarmate ze voldoet aan logische criteria, zoals coherentie, consistentie, geldigheid. Logica is in feite essentieel en cruciaal voor een betrouwbare oordeelsvorming.

b. Redeneren over een open systeem als over een gesloten systeem.


De logische wetten weerspiegelen op zichzelf solide wetmatigheden. Tegelijk is bekend dat de logica geen onvoorwaardelijke geldigheid heeft en dat ze talrijke keiharde beperkingen heeft. De kracht van de logica is juist dat zij het beste middel is om haar eigen grenzen te bewijzen: en daarmee de grenzen van de rationele menselijke oordeelsvorming.
De waarde van de logische wetten is in de praktijk afhankelijk van allerlei precieze voorwaarden (specifieke definities, afspraken, sociale conventies, enz.). Enkele van die voorwaarden en beperkingen zijn bijvoorbeeld:
(1) Niet alle verschijnselen en ervaringen in het leven zijn zodanig te formaliseren dat we de logische wetten zinvol kunnen toepassen. Wat is 'logisch' aan een directe zintuiglijke, lichamelijke, emotionele of spirituele ervaring?
(2) De logische regels hebben enkel geldigheid onder voorwaarde van een complex systeem van concepten, symbolen en coderingsregels. Logische of formele modellen zijn dan ook niet altijd zonder meer geldig in een fysische en/of psychische werkelijkheid, een 'open' systeem. De geldigheid van toegepaste logica is kortom relatief.

Wanneer aan de logica een al te grote rol wordt toegekend is dat op zichzelf al een logische fout. Voorbeelden van drogredenen in dit verband zijn bijvoorbeeld:
(·) Regels uit een gesloten systeem van denken (de logica) worden toegepast op een open systeem (de empirie).
(·) Het onderscheid tussen gunstige voorwaarden, voldoende voorwaarden en noodzakelijke voorwaarden wordt dan gemist (bijv. drogredenen: fallacia consequentis, fallacia antecedentis: Hamblin, 1970).
(Zie drogredenen).

c. Drogredenen.


Hoewel we intuÔties hebben om logisch te denken slagen we daar niet altijd in. Bovendien willen we dat ook niet altijd. Als we een logisch denkvermogen hebben dan werkt dit in ieder geval niet 'automatisch'. Een cruciaal punt is dat in ons brein geen automatische en onontkoombare controle van ons denken op drogredenen plaatsvindt. We kunnen ons zo'n controle wel tot op zekere hoogte eigenmaken, als cognitieve c.q. intellectuele vaardigheid, maar voor de meeste mensen zal daarvoor een lange en intensieve training nodig zijn.

Het blijkt dat mensen in het dagelijks leven bij de vleet logische redeneerfouten maken. Dit gebeurt vooral wanneer het gegevens betreft die niet onmiddellijk waarneembaar zijn en dus ťťn of meer denkstappen nodig zijn die niet toetsbaar zijn aan empirische waarneming maar alleen aan logische criteria. Tot de meest elementaire Ťn meest algemeen voorkomende drogredenen behoren in ieder geval deze drie:
(a) non sequitur [nonseq]: Voorbarige veronderstelling van logisch verband, voorbarige conclusies (onvoldoende voorwaarden, overgeneralisaties).
Bijv.:
(A (A B)) : is ongeldig.
((A B) (A B)) : is ongeldig.
(b) Omkering/ Conversio: Een unidirectioneel verband wordt aangezien voor een symmetrisch verband (drogreden: fallacia conversio: Hamblin, 1970). Implicatie wordt wederzijds verband (logische equivalentie).
Voorbarige toepassing van de wet van contrapositie.
Voorbarige vooronderstelling van het voldoende-zijn van een voorwaarde (B) voor logisch gevolg (A).
Bijv.:
((A B) ≡ (A ≡ B)) : is ongeldig.
((A B) ≡ (B A)) : is ongeldig.
((A B) ≡ (¨A ¨B)) : is ongeldig.
(c) Polariseren: Onderscheid wordt scheiding, verschillen worden tegenstellingen. Polariserend denken. Zwart-wit denken. Inclusieve disjunctie wordt exclusieve disjunctie.
Bijv. ((A B) (A B)) : is ongeldig.
(d) Voorbarige toepassing van de wet van dubbele negatie.
Voorbarige vooronderstelling van gesloten categorieŽn, sluitende classificering, isoleerbaarheid, abrupte scheidingen, absolute definities, objectieve teken-betekenis-relaties, intrinsieke betekenissen, essentialisme, 'pseudo-transparante' tekens. Dit kan een polariserend effect hebben (Zie Korzybski, 1933; Hayakawa, 1964; Leech, 1974/ 1976, I, p.54; ook 'denken in extremen' (Beck, 1970).
Wet: (A ≡ ¨¨A).
Foutieve toepassing:
((x A(x)) x ¨A(x)) [≡ (x A(x))] ) : is ongeldig.
((¨x A(x)) [≡ (x ¨A(x))] (x ¨A(x))) : is ongeldig.
((¨x ¨A(x)) [≡ (x A(x))] (x A(x))) : is ongeldig.
(e) Voorbarige toepassing van de wet van uitgesloten midden (tertium non-datur).
Voorbarige vooronderstelling van dichotome waarheidswaarden (i.p.v. graduele waarschijnlijkheden en geleidelijke overgangen).
Wet: (A ¨A).
Foutieve toepassing:
((x A(x)) (x ¨A(x)) : is ongeldig.
(f) Voorbarige toepassing van de wet van de tegenspraak (contradictie).
Voorbarige vooronderstelling van eenduidige determineerbaarheid, onafhankelijk van willekeurige gezichtspunten en begripsdefinities.
Wet: ¨(A ¨A).
Foutieve toepassing:
(((x A(x)) (y ¨A(y))) (x ¨A(x)) : is ongeldig.

4. Storingen in psychologische oordeelsvorming: Over individuen.


Psychologische pseudo-deskundigheid.

Generalisatie over incidenteel, individueel gedrag.



Onaannemelijke aannamen en vooronderstellingen, sterke claims.
(1)

Idee van de 'zuivere waarneming'.


Een uitspraak over een ander's gedrag zou berusten op objectieve, volledige en accurate waarnemingen. Vanuit overschatting van het menselijk waarnemingsvermogen.
O.a. Al te stellige bewering, lost performative.

(2)

Idee van de 'transparante persoonlijkheid'.


Gedachten-lezen: Aan de uitingen van mensen worden vaak voorbarige causale interpretaties verbonden (complex equivalence, mind-reading: Bandler & Grinder, 1975/ 1977, p.98-108; speculatie over motieven: Ellis & Harper, 1980, p.58-59).
(a) (Verkapte) pretentie van gedachtenoverdracht ('telepathie').
(b) Gedachtenlezen veronderstellen bij de ander.
O.m. geprojecteerd gedachtenlezen.

(3)

Statisch mensbeeld.


(a)

Idee van 'Gedrag met vaste betekenis'.


Gedrag of tekengeving (bijv. taaluiting) heeft een vaste betekenis. Bijv. wijst eenduidig op een vaste, enkelvoudige interne motivatie.
(b)

Gedrag wijst op persoonlijke eigenschap.


Elk gedrag komt voort uit een bijbehorende persoonlijke eigenschap. Generalisatie van gedrag naar persoon.
Gedrag wijst op vaste, onveranderlijke innerlijke eigenschap van persoon.
(c)

Idee van 'vaste eigenschappen'.


Vaststaande, inherente individueel-psychologische eigenschappen. 'Box in de persoon'.
(d)

Fundamentele determinatie/attributie-fout.


De neiging bestaat om de gedragingen van mensen eerder toe te schrijven aan persoonlijke eigenschappen (disposities, traits) dan aan externe omstandigheden, d.i. situationele factoren (fundamentele determinatie/attributiefout) (Heider, 1944, 1958; Ross, 1974). Toeschrijven van gedragingen aan specifieke persoonlijkheid i.p.v. aan de combinatie van (1) algemeen menselijke tendenties plus (2) (variabele) omgeving.
D.w.z., in de subjectieve oordeelsvorming overstemt het gedrag van anderen de andere waarneembare gegevens: 'Behavior engulfs the field' (Heider).
(e)

Partijdige determinatie/attributie van constantie.


Gedragingen van anderen worden eerder verklaard in termen van abstracte eigenschappen (adjectieven) - die verwijzen naar 'stabiele' c.q. 'inherente' interne factoren - dan de eigen gedragingen (actor-observator- vertekening; egocentrisch effect).
(f)

Idee van 'vaste persoonlijkheid'.


Vaststaande, rigide, onveranderlijke persoonlijkheid/ karakter.

(4)

Totaal-oordelen.


(a)

Totaal-oordelen over personen.


Een aantal incidentele gedragingen van iemand wordt snel als representatief beschouwd voor de totale persoon (totaal-oordeel over een persoon, Hartgers, Gho & Richter, 1983).
Gedrag zegt alles over de totale persoon (individu). Idee van de coherente, eenduidige, consistente, monotone persoonlijkheid.
(b)

Idee van 'Psychologische klassen'.


Eenduidige categorisering van personen.
(c)

'Tijdloos totaal-beeld'.


Oftewel 'persoon in de box'.
Gedrag bepaalt de identiteit van een persoon. (stigmatisering).

(5)

Materialistisch mensbeeld.


Bewuste subjectieve beleving is een illusie, bestaat niet. Impliceert: alle ethiek en moraal is irrelevant.

(6)

Mechanisch mensbeeld.


Er is geen keuzevrijheid. Dus geen zelfverantwoordelijkheid. Slechts causaliteit (cause-effect) in menselijk functioneren.
Oorzaak-gevolg denken: Vaak wordt verondersteld dat uitsluitend fysische omstandigheden noodzakelijk leiden tot specifieke psychologische of subjectieve effecten (Maultsby, 1970; Mercx, 1987, p.42, cause-effect: Bandler & Grinder, 1975/ 1977, p.92-95).
Impliceert: de mens als input-output machine, doorgeefluik van invloeden, speelbal van de omstandigheden, 'biljartbal model'.
(a)

Idee van 'Dominantie der genen'.


Het idee dat gedrag hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door individuele genetische aanleg. Dus: leerprocessen en keuzevrijheid zijn ondergeschikt of uitgesloten.
(b)

Idee van 'Automatische belevingswaarde'.


Oorzaak gevolg: (fysisch, extern) naar (mentaal, intern). Gevoelens en gedachten worden direct veroorzaakt door omstandigheden.
(c)

Idee van 'Automatisch gedrag'.


Oorzaak-gevolg: (fysisch, extern) naar (fysiek, endogeen). Gedrag wordt direct veroorzaakt door omstandigheden.
(d)

Idee van 'Gedetermineerd gedrag'.


(Voorbarige) voorspellingen van menselijke reacties.
Aan het gedrag, voelen en denken van anderen worden vaak voorbarige causale voorspellingen verbonden. Gegeven gedrag zegt alles over toekomstig gedrag van de persoon. O.a. Toekomst-voorspellen (van de ander). (christall ball syndrome: Satir, 1967; Bandler & Grinder 1975/ 1977, p.144).
Miskennen/ Benemen van keuzemogelijkheid in reageren.

(7)

Manipulaties met de 'eigenwaarde' van personen.


Onaannemelijke aannamen:
(a)

Idee van 'Meetbare eigenwaarde'.


Determineerbare, 'meetbare' persoonlijke waarde of eigenwaarde.
(b)

Idee van 'Verschillen in persoonlijke waarde'.


Individuele verschillen in persoonlijke waarde of eigenwaarde: superieure versus inferieure individuen.
(c)

Idee van 'Variabele eigenwaarde'.


Variabele persoonlijke eigenwaarde/ waardigheid.
(d)

Idee van 'Voorwaardelijke eigenwaarde'.


Voorwaardelijke persoonlijke eigenwaarde: afhankelijk van extrinsieke kenmerken.
(e) Vaststaande, onveranderlijke individuele verschillen in persoonlijke waarde c.q. 'eigenwaarde'.
(f)

Mythisch mensbeeld.


Gedrag verklaard uit intrinsieke eigenschap van de persoon van de persoon: als rechtstreeks veroorzaakt door bijv. 'moreel gehalte', een eenduidige interne 'morele graad' (d.w.z. individuele 'Goed-Kwaad balans').

(8)

Partijdige oordelen over zelf versus anderen.


(a)

Volgen van persoonlijke verstandhouding.


De persoonlijke affectie, verstandhouding, sympathie of antipathie en dergelijke beÔnvloeden de oordeelsvorming (leniency error).
(b)

Voldoen aan veronderstelde verwachtingen.


Mensen doen en zeggen wat ze denken dat een waarnemer van ze verwacht vanuit diens persoonlijke belangen, gevoelens en wensen, en niet wat hen expliciet, formeel wordt opgedragen (anticipation error); enz. ..
(c)

Partijdige determinatie/attributie van gebreken.


Vaak wordt het falen van anderen aan hun persoonlijkheid geweten (bijv. 'gebrek aan talent'), en hun successen aan gunstige omstandigheden (bijv. 'domweg geluk'); terwijl het eigen falen wordt toegeschreven aan ongunstige omstandigheden (bijv. 'gewoon pech'), en eigen successen aan persoonlijke kwaliteiten (bijv. 'sterk karakter') (Weiner, 1979).
(d)

Partijdige determinatie/attributie van negatieve eigenschappen.


De oorzaken voor moeilijkheden in persoonlijke relaties worden eerder geweten aan negatieve persoonseigensschappen van de ander, (die stabiel, inherent, en globaal zijn) dan die van zichzelf (Fiedler & Stroehm, 1990; Fincham, 1985; Fiedler, Semin & Koppetsch, 1990).
(e)

'Verzwaren' van abstracte eigenschappen.


Iemands abstracte (dus 'stabiele') persoonlijkheids-eigenschappen worden vooral beoordeeld op basis van negatieve gedragingen. Daarentegen worden concrete karaktertrekken, die als veranderlijker worden beschouwd, vooral beoordeeld op basis van positieve gedragingen (Reeder & Brewer, 1979; Reeder, 1979).
(f)

Overmatige weging van negatieve scores.


Iemands geneigdheid tot moraliteit- (of toestand-) gerelateerd gedrag wordt vooral ingeschat op basis van zijn 'negatieve' gedragingen, dat wil zeggen, de keren dat hij sociaal-culturele normen zou schenden. Met andere woorden: negatieve scores worden als diagnostischer beschouwd voor iemands morele reputatie dan positieve scores! (Maar voor vaardigheids-gerelateerd gedrag worden positieve bevestigingen, dus het aantal keren succes, veelzeggender geacht dan negatieve, d.w.z. het aantal keren falen).
(g)

Moeizame weerlegging van negatieve eigenschappen.


Een negatieve eigenschap (bijv. 'oneerlijk') wordt gemakkelijk aan iemand toegekend, maar met grotere moeite wordt dat 'etiket' weer losgemaakt. Omgekeerd zijn er juist veel bevestigingen nodig om iemand een positieve eigenschap (bijv. 'eerlijk') toe te kennen, maar zijn er slechts weinig aanwijzingen nodig om die weer los te maken (Rothbart & Park, 1986).
(h)

Aanval op de persoon.


Persoonlijke aanval: Niet de bal spelen (boodschap, argumentatie), maar de man. Drogreden: argumentum ad hominem

5. Storingen in de sociale oordeelsvorming: Over groepen.



In het beoordelen van sociale situaties (sociale cognitie) kost objectiviteit ons nog meer moeite dan wanneer het over individuen gaat.

Groepsdenken.


'Groepsmentaliteit'.

(1)

Concept van de groep als entiteit.


(a)

Conventionalisme.


Volgen van wat gebruikelijk, conventie, trendy of modieus is.
(b)

Conformisme.


De neiging tot (onkritische, blinde) aanpassing aan overheersende normen (compliance). Volgen van wat de groepsmeerderheid - of machtigste groepering - zegt, denkt en doet. 'Groepsgeest', 'Kuddegeest', Group Think.
Het blijkt dat de meeste mensen meegaan met de oordeelsvorming van de groep, zelfs als dit overduidelijk afwijkt van de evidente feiten (Solomon Asch, 1946, 1955, 1956; Allen & Levin, 1971; Gray, 2000).
(c)

Populisme.


Eenzijdige gerichtheid op (bijval van) de meerderheid c.q. de massa.
(d)

Primaat van de sociale hiŽrarchie.

.
Absolute status van sociale orde, machtsverhoudingen, lokale cultuur en rolverdeling.
(e)

Respect voor autoriteit.


Ongefundeerd geloof in de rechtmatigheid van gevestigde macht. Respect en loyaliteit jegens autoriteit.
(e1) Autoritaire onderworpenheid.
Kritiekloze, slaafse volgzaamheid en verheerlijking van de machthebbers. Dienstbaarheid jegens sterkeren ('likken naar boven'). Loyaliteit aan personen en posities, in plaats van commitment aan taken.
(e2) Autoritaire agressie.
Uitbuiten en misbruiken van eigen machtspositie, dictatuur tegenover zwakkeren. Machtsmisbruik jegens zwakkeren ('trappen naar beneden').
Onderzoek wijst uit dat de meeste mensen de neiging hebben te gehoorzamen aan een autoriteit als die hen, in de naam van recht, wet of wetenschappelijk nut, opdraagt om anderen pijnlijke, schadelijke en zelfs dodelijke behandelingen toe te dienen (Stanley Milgram, 1963, 1964a, 1965, 1974, 1976; Aronson, 1972; Bierbrauer, 1973; Baumrind, 1964; Mantell, 1970; Aronson, Wilson & Akert, 2005). Dit blijkt zelfs te gelden (a) als er geen fysieke dwang is; (b) als er geen merkbare dreiging is van straf bij weigering; (c) als er geen of slechts een geringe materiŽle beloning is; (d) als het algemeen nut ontbreekt of onduidelijk is; (e) als het lijden en de doodsstrijd van de slachtoffers waarneembaar is; (f) en als de daders zelf grote verwarring en zelftwijfel tonen over hun eigen, gehoorzame maar sadistische gedrag.
In vergelijkbaar onderzoek bleek dat volkomen normale, doorsnee studenten wanneer ze eenmaal het uniform en de positie van gevangenwaker kregen, in zeer korte tijd en geheel spontaan ernstig sadistisch en schadelijk gedrag vertoonden tegenover medestudenten die toevallig de rol van gevangenen vervulden maar tijdens het 'spel' hevig getraumatiseerd raakten. (Philip Zimbardo, Stanford Prison Experiment, 1971).
De mentaliteit van de 'autoritaire persoonlijkheid' (Adorno, 1950, 1968) is dus geen zeldzaamheid: veel mensen lenen zich gemakkelijk als folterknecht of kampbeul. Nog ernstiger is dat de meeste mensen hun eigen morele standvastigheid in sociale situaties waarin macht en autoriteit een rol spelen, schromelijk overschatten.
(f)

Samenvoegen van individuen.


Voorbarig of overmatig generaliseren over individuen. Generaliseren van individu naar groep. Niet-erkennen van individuele uniekheid.
Deze samenvoegingen zijn altijd criterium-afhankelijk, dus relatief en tot op zekere hoogte arbitrair. Ze worden echter opgevat als zelfstandige, coherente, enkelvoudige, en uniforme 'eenheden'.

(2)

IdeeŽn over relaties tussen groepen.


(a)

Verschil tussen groepen.


Aannemen van onwaarschijnlijk of irrelevant verschil tussen groepen.
Leden van een andere groep worden eerder in meer abstracte, globale, stabiele, en negatieve termen beschreven dan die van de eigen groep (intergroeps- beoordeling: stereotypering, negatieve discriminatie) (Rubini, 1990; Fiedler, Semin & Finkenauer, 1990; Lucille & Jones, 1980; Quattrone, 1986; Maass etal., 1990; Hewstone, 1990).
(b)

Pseudosoortvorming (E. Eriksson).


Inter-groeps verschillen worden voorgesteld als talrijker, groter of belangrijker dan inter-individuele verschillen.
(c)

Idee van 'Collectieve eigenheid'.


Extrinsieke verwantschap of lidmaatschap, op basis van sexe, huidskleur, bloedlijn (Blut), afkomst (Bodem), nationaliteit, enz.. Zgn. 'natuurlijke' of 'vanzelfsprekende' binding aan extrinsieke kenmerken.
(d)

Strikte afbakening van groepen (Exclusief).


Eenduidig lidmaatschap Ťn onverenigbare groepen (categorieŽn). Onderscheid wordt scheiding. Idee van 'automatisch', onontkoombaar verwantschap. Op basis van (echt- of onecht-) vaststaande eigenschappen. Identificatie met een 'eigen groep'.
Bijv. seksisme, culturisme.
(e)

Uniforme groep/ cultuur.


'Collectieve identiteit', stereotype. Groep funcioneert als ťťn homogeen geheel, entiteit, (pseudo-)persoon, 'super-organisme': psychologische eenheid. Geen onderling begrensde individuen.
Bijv. Corporisme of de 'organische staat' (het fascisme van Mussolini, 1919): ieder in de staat heeft een vaste plaats.
(e1) Gedachten-lezen over een groep. 'Massa-gedachtenlezen'.
(e2) Vaststaande, inherente collectieve psychologische eigenschappen.
(e3) Vaststaande, onveranderlijke 'collectieve persoonlijkheid' c.q. cultuur.
(f)

Persoon 'is' de groep.


Gedrag van een persoon zegt alles over de gehele 'groep', of ieder met gelijksoortige ('dezelfde') uiterlijke kenmerken. 'Wie ťťn kent, kent allen'.
O.a. Soortnaam of verzamelnaam (gegeneraliseerde referentiŽle index).
Groep als 'pseudo-persoon'.

(3)

IdeeŽn over waarden van groepen.


(a)

Collectief boven individu.


Individu is ondergeschikt aan het collectief. Nadruk niet op de waarde van persoonlijke kwaliteiten, maar op de waarde van het behoren tot een bepaalde (superieure) groep.
(b)

De 'politiek van de groep'.


Uniforme, homogene samenstelling: identieke, verwisselbare individuen. Geen ruimte voor verscheidenheid.
(c)

Onvoorwaardelijke collectiviteit.


Gedrag van ťťn groepslid is gedrag van ťlk groepslid. Elk groepslid is aansprakelijk voor elk gedrag van elk ander groepslid.
(d)

Groepsstatus boven eigenwaarde.


Indivuele eigenwaarde is afhankelijk van groepsstatus.
(e)

Groepswaarde, Collectieve eigenwaarde.


(f) Determineerbare (Collectieve) (eigen-)waarde van een groep.
(g) Gradaties in 'groepswaarde'. Variabele, voorwaardelijke, afhankelijke (collectieve) eigenwaarde van een groep.
(h) Verschillen in collectieve 'eigenwaarde(n)'.
(i) Voorwaardelijke, afhankelijke (verschillen in) collectieve 'eigenwaarde': superieure/ inferieure groepen.
(j)

'Genetisch lidmaatschap'.


(j1) Voorspelling d.m.v. 'Geno-stereotype': 'groepsgenen' bepalen kenmerken/ gedragingen van nakomelingen).
(j2) Overerving van incidentele handelingen: gedrag bepaalt genen, resp. kenmerken/ gedragingen van nakomelingen.
(j3) Overerving van collectieve (persoonlijke) waarde op nakomelingen.
Racisme of rassenwaan: de huidskleur of bloedlijn bakent de pseudosoort af.
(j4)

Groepsleiding.


(·) De noodzaak van leiding aan een groep (m.n. In-group).
(·) Absolute leiding. Totalitarisme.
Blinde volgzaamheid aan ťťn grote onbetwiste sterke leider: guru, dictator, despoot, tiran ('Duce', 'FŁhrer'). De charismatische redder die als ultieme supermens wordt voorgesteld. Persoonlijkheidsverheerlijking.
(k)

'Discriminatie'.


De rechten en vrijheden van mensen worden afhankelijk gesteld van feitelijke of denkbeeldige, maar hoe dan ook niet-relevante verschillen in fysieke en/of historische kenmerken van groepen of individuen. Bijv.:
(·) 'ras' (omvat: huidkleur, nationale of etnische afstamming, geboorte of afkomst; huidige nationaliteit);
(·) geslacht;
(·) seksuele voorkeur of gerichtheid;
(·) taal;
(·) godsdienst, geloof of levensbeschouwing;
(·) politieke of andere overtuiging;
(·) maatschappelijke en/of sociaal-economische afstamming, geboorte, afkomst of omstandigheden;
(·) fysieke toestand of verschijning.

(4)

Dubieuze uitspraken over andere groep.


Het blijkt dat mensen zich gemakkelijk een bewering over Out-group leden laten ontvallen:
(a) die een arbitraire, ongefundeerde conclusie behelst (bijv. mind-reading).
(b) die een over-generalisatie behelst.
(c) die feitelijk c.q. aantoonbaar onjuist is.
(d) die hen als groep afbakent van anderen, los van individuele verschillen (dus een wig drijft tussen bevolkingsgroepen).
(e) die hen als groep in verband brengt met ongewenste zaken, negatief afschildert, ten onrechte verantwoordelijk stelt voor ongewenste omstandigheden, onevenredig verdacht maakt of beschuldigt, in diskrediet brengt, enz.
(f) die bepleit hen als groep een ongelijke behandeling op te leggen, dus discrimineert.

6. Anti-rationalisme.



Mensen verzetten mensen zich soms - onder het mom van romanticisme, spiritualiteit, post-modernisme, 'absoluut' relativisme en dergelijke - tegen logica en rationaliteit. Kenmerken hiervan zijn bijvoorbeeld:
(a) Gevoelens worden belangrijker geacht dan het verstand.
(b) Onverschillig, slordig en partijdig omgaan met feitenkennis; informatie-vervorming (geen informatiebeheersing).
(c) Beroep op impressionistische waarnemingen, primaire sensaties, primitieve emoties, irrationele motieven.
(d) Beroep op populaire ideeŽn, (sub)culturele conventies, Group Think, het 'volksgevoel' (Gesundes Volksempfinden).
(e) Voorkeur voor arbitraire redeneringen, losgezongen van logische geldigheid of vervulbaarheid: 'slagen in de lucht', 'ins Blau hinein' redeneren, enz..
(f) Verwerping van logica.
(Logisch geldige conclusies worden bij voorkeur afgedaan als 'drogredenen').
(g) Schijn-logica (pseudo-logica).
Redeneringen worden aangemerkt als 'logisch' ongeacht soms extreme mate van drogredenering.
(h) Voorkeur voor generalisaties, stereotypie, 'kaartenhuis-theorieŽn', suggestieve symboliek, metaforen, mythen, ideaalbeelden, luchtkastelen, bijgeloof, 'magisch denken', enz..
(i) 'Wensdenken' ('de wens is vader van de gedachte').
(j) 'Zichzelf-vervullende voorspelling' (gedachte leidt tot selectieve, partijdige waarneming).

7. De invloed van ver-taling op informatie



Veel van de informatie die we gebruiken ontlenen we aan, of geven we weer in, taal. Wanneer we informatie 'ver-talen' heeft dat echter vervormende effecten.
Voorbeelden:
(1)

Filterwerking.


Taal heeft een filterend effect op informatie (Vgl. non-allness: Korzybski, 1933; deletie: Bandler & Grinder, 1975/1977).
(2)

Lineair karakter.


Taal maakt primair gebruik van geluid, is daardoor sterk aangewezen op de dimensie van tijd voor de codering van informatie over de veel-dimensionele ervaringswereld, is lineair, sequentieel van aard (Vgl. linearisatie: Chafe, 1970; en primairy topicalization: Fillmore, 1968).
(3)

Versimpeling.


Een effect van de grammaticale taalstructuur is een zekere simplificatie (Vgl. structurele comprimatie: Leech, 1974/ 1976, II, p.20-30).
(4)

Herordening.


De structuur van de taal, allereerst de grammatica, leidt tot volgorde-veranderingen en daardoor accentverschuivingen in de weer te geven informatie (Vgl. secundairy topicalization: Fillmore, 1968; thematisatie: Leech, 1974/ 1976, II, p.20-30).
(5)

Standaardisatie.


De incongruentie tussen unieke bedoelde betekenis en de gestandaardiseerde taalvormen kan leiden tot een zekere verschuiving in de weergegeven betekenis (Vgl. stereotyperend effect: Leech, 1974/ 1976, I, p.56-57).
(6)

Verstarring.


De tussenkomst van taal kan een sterk vertragend en verstarrend effect hebben op de 'natuurlijke' stroom van onze subjectieve ervaringen (Vgl. tijd-binding: Korzybski, 1933).
Talige representaties kunnen hierdoor een constantie suggereren in de dingen waarnaar ze verwijzen, waar slechts een continue dynamiek heerst (Vgl. nominalisatie: Bandler & Grinder, 1975/ 1977, p.79-84; verstening: Leech, 1974/ 1976, I, p.61; lexicalisatie: Leech, 1974/ 1976, II, p.20-30).
(7)

Suggestieve werking.


Woorden wekken de suggestie dat de dingen waar ze naar verwijzen ook werkelijk bestaan, wat uiteraard niet altijd het geval is (Vgl. non-identity: Korzybski, 1933; reÔficatie, concept-vormend of institutionaliserend effect: Leech, 1974/ 1976, I, p.53).
(8)

Polarisering

.
Ver-taling werkt een polariserend effect in de hand (Zie Korzybski, 1933; Hayakawa, 1964; Leech, 1974/ 1976, I, p.54).
(9)

Sturende werking.


Door de introductie van nieuwe onderscheidingen in de taal kunnen culturele definities en conventies worden bevestigd, veranderd of gevestigd (zie linguÔstische relativiteits-hypothese of Sapir-Whorf hypothese: Sapir, 1963; Whorf, 1940, 1956, 1965).
(10)

Manipulatieve werking.


Door het combineren van taalvormen kunnen betekenissen, definities, denkbeelden en subjectieve ervaringen worden gemanipuleerd zodat verwarring, manipulatie of misleiding het gevolg kan zijn (associative engineering, jargonisatie, conceptual engineering, conceptual fusion: Leech, 1974/1976, I; loading the language: Lifton, Robert Jay, 1976).
(11)

Zelf-bevestigend effect.


Onze taalbouwsels beÔnvloeden onze waarneming: "In de wereld lezen wij onbewust de structuur van de taal die wij gebruiken" (Korzybski, 1948, p.35).
(12)

Abstractie.


De mogelijkheden tot abstractie van informatie die taal biedt maken haar krachtig als coderings- en communicatiesysteem, maar kunnen tegelijk vervormende neveneffecten hebben op de weergegeven informatie. Abstracte termen die betrekking hebben op personen en sociale gebeurtenissen verwijzen naar processen en eigenschappen waarvoor geldt:
(·) Ze zijn niet volledig, rechtstreeks, onmiddelijk waarneembaar.
(·) Ze hebben meer betrekking op niet-waarneembare psychische toestanden dan op objectieve zaken.
(·) Ze zijn niet eenduidig af te bakenen met een begin en einde.
(·) De concepten zijn gebaseerd op generalisaties over tijd, plaats en referent.
(·) De concepten zijn over langere termijn toepasbaar.
(·) Ze zijn met positieve of negatieve valentie verbonden (ze hebben meer geÔmpliceerde valentie dan concrete termen).
(·) Ze leiden, wanneer ze een negatieve valentie hebben, tot meer negatieve beoordelingen van zaken die daarna worden genoemd.
(·) Ze suggereren meer complexe processen of meer stabiele persoonlijke eigenschappen.
(·) Ze veronderstellen meer omvangrijke, sluitende en rigide psychologische of sociale causale mechanismen.
(·) Ze suggereren daardoor een vaak zeer verstrekkende verklarende kracht en voorspellende kracht.
(·) Ze zijn moeilijker te begrijpen, te overzien, te beheersen en dus te veranderen/ beÔnvloeden.
(Weiner, 1985; Fiedler, Semin & Bolten, 1989; Semin & Marsman, 1991; Hamilton etal, 1991).


C.P. van der Velde, mei 2008.

Zie verder ..



§ Principes van Modelvorming. Mogelijkheden van kennis, informatie en logica.
§ Pagina's

Methode 'Praktische Logica' © .