Bestanddelen van

 

Psychologie van de Subjectieve Beleving

©:


Theorie van het Bewustzijn :



'Is reductie van bewustzijn haalbaar?'

 

- Kenmerken van bewustzijn



[eerste website versie 16-02-2009;
herziene versie 16-02-2009]

Kenmerken van bewustzijn



We zullen hieronder in het kort een aantal aspecten en verschijnselen beschrijven die in aanmerking komen als kandidaten om als kenmerken van bewustzijn te kunnen gelden.
De kandidaat-kenmerken van bewustzijn kunnen eerst worden ingedeeld in de volgende hoofdcategorieŽn:
(I)

Niet-unieke kenmerken van bewustzijn.


(I.1)

Niet-unieke kenmerken die neuronaal-gerelateerd zijn:

N*B

kenmerken.


(I.1.1) Kenmerken van neuronale aspecten die gerelateerd zijn aan bewustzijn.
(I.1.2) Inherente kenmerken van bewustzijn die fysisch- Ťn informatie-gerelateerd zijn
('Pseudo-fysische' kenmerken van bewustzijn).
(I.2)

Niet-unieke kenmerken die informatie-gerelateerd zijn:

I*B

kenmerken.


(I.2.1) Informatie-gerelateerde kenmerken van bewustzijn van reflectieve aard
(ook geldig voor neuro-kenmerken).
(I.2.2) Informatie-gerelateerde kenmerken van bewustzijn van abstracte aard
(onafhankelijk van neuro-kenmerken).
(I.2.3) Informatie-gerelateerde kenmerken van bewustzijn van inhoudelijke aard.
(II)

Kenmerken die uniek voor bewustzijn gelden:

U*B

kenmerken.


    (bijvoorbeeld qualia).
(II.1) Unieke kenmerken van bewustzijn die betrekkelijk 'passief' zijn.
(II.2) Unieke kenmerken van bewustzijn die meer 'actief' zijn.
(III)

Kenmerken die zowel uniek als inherent aan bewustzijn zijn:

U*H*B

kenmerken.



Met deze kenmerken kunnen we allerlei kanten van het bewustzijn belichten, en kunnen we proberen een redelijk eenduidig beeld te vormen van wat het bewustzijn zoal behelst. Dat laatste biedt een eerste basis om het te kunnen begrijpen en te kunnen verklaren.

(I) Niet-unieke kenmerken van bewustzijn.



(1) Niet-unieke kenmerken die neuronaal-gerelateerd zijn.



Dit zijn niet-unieke kenmerken van bewustzijn, ontleend aan fysische verschijnselen.
Het zijn vooral eigenschappen van hersenprocessen, oftewel neurofysische kenmerken: bepaalde eigenschappen, verschijnselen en processen die (vrijwel) altijd gelijktijdig optreden met bewuste ervaring.

{N.b. Er bestaan allerlei meetinstrumenten waarmee bepaalde karakteristieken van de activiteit van het zenuwstelsel op behoorlijk betrouwbare wijze kunnen worden gemeten.
Fysiologische maten, of indicatoren voor die karakteristieken zijn bijvoorbeeld:

Centraal zenuwstelsel


E.E.G.: Electro Encephalo-Gram.
E.R.P.: Event Related Potential.

Somatisch systeem


E.M.G.: Electro Myo-Gram.
E.O.G.: Electro Oculo-Gram.

Autonoom zenuwstelsel


H.R.: (Heart Rate) Hartslag.
B.P.: (Blood Pressure) Bloeddruk.
G.S.R.: Galvanic Skin Response.
Pupil dilettatie.

Endocrine systeem


Adrenaline gehalte.
Nor-adrenaline gehalte.
Maten voor performance, Taakuitvoering zijn bijvoorbeeld:

Maten voor 'Steady State' of 'Probe' functioneren.


Indicatoren voor typering:
Snelheid.
Geheugenprestaties.
Selectiviteit van de aandacht, enz..
Maten voor subjectieve beleving.

'Traite' of 'State' maten.


Kwaliteit van de subjectieve beleving:
Soort emotie.
Vereiste inspanning.
Beheersing.
Bewustheid.
Bij al deze en andere maten en indicatoren blijft wel gelden dat ze uitsluitend informatie weerspiegelen over kenmerken die direct empirisch waarneembaar zijn. We blijven eenvoudig 'buitenkant' zien, horen, en aanraken. Voor onze fysieke zintuigen blijft geen spoor te bekennen van het 'mentale innerlijk' of 'innerlijk leven' van een ander. }

Uit neurofysiologisch en biopsychologisch onderzoek is inmiddels een groot aantal statistische correlaties naar voren gekomen van gerapporteerde bewustzijnsinhouden met fysieke locaties, substanties en processen in het zenuwstelsel: de zgn. 'neuronale correlaten' (neuronal correlates of consciousness, NCC: zie bijvoorbeeld Kandel & Schwartz, 1985).
Het is hierdoor duidelijk dat bewustzijn meestal gepaard gaat met een bepaalde mate, graad of modus van activiteit van het centraal zenuwstelsel. Deze activiteit pleegt gewoonlijk op te treden in de dagelijkse waaktoestand, maar daarnaast ook in de meer 'actieve' stadia van de slaap, met name de zgn. REM-slaap, het slaapstadium waarin ook de meeste episoden van bewust dromen voorkomen.

(I.1.1) Kenmerken van neuronale aspecten in verband met bewustzijn.



Toestanden van bewustzijn gaan in het algemeen gepaard met specifieke activiteit van allerlei neuronale componenten, op globaal tot op lokaal niveau, en op macro- tot op microscopische schaal.
Een aantal bekende kenmerken van dit soort activiteit zullen we hier kort beschrijven:

(a)

Globale interne toestanden van het organisme.


De belangrijkste hiervan zijn:
(1) Waaktoestand (W), met daarin vooral actief functioneren (arousal, active waking, AW) en waakzaamheid (alertness); maar ook
(2) Bewust dromen, dat vooral plaats heeft tijdens de zgn. REM-slaap, ook genoemd actieve slaap oftewel paradoxale slaap (PS), en verder
(3) Speciale toestanden zoals - niet al te diepe - hypnotische trance.

(b)

Activiteit van speciale functionele systemen van het zenuwstelsel.


Dit is met name het systeem voor actief functioneren, de orthosympathicus (het zgn. effort systeem, Sympathetic-Nerve Activity, SNA), en meer specifiek en centraal het regelsysteem voor waakzaamheid, het Ascending Reticular Activating System (ARAS) in de formatio reticularis, een netvormig stelsel van kernen en banen in de hersenstam.
Deze activiteit gaat gepaard met onder meer snellere hartslag (hartritme), hogere bloeddruk en grotere variantie van de bloeddruk, hogere tonus van skeletspieren, enzovoorts.

(c)

Activiteit van bepaalde neuro-anatomische gebieden.


Bewustzijn lijkt zich te bevinden in specifieke neuronale gebieden. Traditioneel wordt een heel simpele redenering gevolgd om de hersengebieden aan te wijzen die locaties zijn voor bewustzijn. Mensen kunnen met andere mensen communiceren, met name praten, op een manier die meestal beter werkt dan met (andersoortige) dieren. Uit die communicatie blijkt dat mensen melding maken van bewuste subjectieve ervaring, die voor anderen vaak herkenbaar of zelfs invoelbaar is. Op grond hiervan is de consensus onder mensen ontstaan dat mensen bewustzijn hebben, en dieren niet of vrijwel niet. Aantoonbare verschillen met dieren zijn een meer complexe intelligentie en sterker ontwikkelde hersengebieden die dit mogelijk maken. Hieruit werd geconcludeerd: het subjectief bewustzijn is bij uitstek gekoppeld aan hersengebieden die bij mensen sterker ontwikkeld zijn.
Het gaat dan vooral om de hoger gelegen cortex cerebri.
Sterk versimpeld wordt aangenomen dat een globale 'taakverdeling' of specialisatie geldt: De onbewuste processen blijken meer geassocieerd met hersengebieden die relatief 'ouder' en 'dierlijker' zijn: ze liggen lager (subcorticaal, infernaal), achter (dorsaal), en rechts (dextraal). Terwijl de bewuste processen meer voorkomen in gebieden die relatief 'nieuwer' en 'menselijker' zijn: ze liggen hoger (corticaal, supernaal), vooraan (frontaal) en links (sinistraal).

Deze voorstelling van zaken is echter niet vol te houden wat betreft de neuronale gebieden die het bewustzijn als toestand van de hersenen kunnen veroorzaken of instandhouden. Cruciaal voor het ontstaan en de instandhouding van bewust functioneren zijn opmerkelijk genoeg niet, zoals de mythe wil, de 'hogere' hersengebieden, zoals cortex cerebri, die we in verband brengen met primaten en mensen, maar met name juist de evolutionair 'oudere' vissen-, amphibieŽn- en reptielenhersenen.

Een aantal neuronale factoren die meestal gepaard gaan met het gewone waakbewustzijn, blijken kort voor de waaktoestand geleidelijk toe te nemen, en na verlies van bewustzijn - bij diepe slaap, anaesthesie en dergelijke - af te nemen. Met name zijn dat factoren die zorgen voor verhoogde waakzaamheid en globale activatie (arousal) van het organisme. Bij hogere waakzaamheid treedt vaak een toename op van de intensiteit van bewustzijn, maar ook van opmerkzaamheid, extravertie, inspannings- en actiegereedheid, en motorische mobiliteit (dominantie van het sympathische systeem).
De globale waakzaamheidsgraad wordt vooral geregeld door het zgn. Ascenderend Reticulair Systeem, gelocaliseerd in het centraal zenuwstelsel, met name in een netwerk-achtige structuur van vezels en knooppunten genaamd formatio reticularis. De formatio reticularis strekt zicht uit over de hersenstam (truncus cerebri) - bestaande uit verlengde merg (medulla oblongata) en pons - de middenhersenen, en de tussenhersenen (vooral de thalamus).
{Nb. De formatio reticularis is al te vinden, zij het in nogal rudimentaire vorm, in ongewervelden, onder meer de rondbekken (Cyclostomae) c.q. kaakloze zeevissen (Agnatha) zoals slijmprikken en gewone prikken (lampreien). In meer volwaardige vorm is het al te vinden in primitieve gewervelden, waaronder de kraakbeenvissen (Chondrichthyes, Elasmobranchii) zoals zeekatvissen, draakvissen, roggen en haaien; de beenvisachtigen (Osteichthyes), bestaande uit de straalvinnigen (Actinopterygii) zoals steuren, en de echte beenvissen (Teleostei) waartoe ongeveer 95 procent van alle vissen behoren, en tenslotte de kwastvinnigen of spiervinnigen (Sarcopterygii), zoals longvissen, die het meest verwant zijn aan de vierpotige diersoorten. }

Een toenemende arousal volgt op toenemende activiteit van specifieke zenuwkernen in de hersenstam (in de formatio reticularis) en het vrijkomen van specifieke neurotransmitters (met name mono-aminozuren en glutamaat).
De waaktoestand houdt verband met activiteit van een onder meer de volgende structuren:
  • De locus coeruleus (LC) in de middenhersenen (tegmentum mecencephali):
    deze produceert Noradrenaline (NA).
  • De nuclei raphei (NR) in het binnenste verlengde merg (medulla oblongata, centralis): deze produceert Serotonine (5-HT).
  • De nuclei reticulari pontinis medialis (FRPM) in de pons (het area peribrachium): deze produceren Acetylcholine (ACh).
  • De substantia nigra (SN) in de middenhersenen (tegmentum mecencephali): deze produceren Dopamine (DA).
    • Deze factoren spelen deels ook een rol tijdens de REM slaap en de daarin voorkomende episoden van mentale activiteit en bewust dromen.

      Hierdoor worden processen in de meer 'moderne' gebieden van de hersenschors (cortex cerebri) globaal gestimuleerd, geactiveerd en gemoduleerd.

      In de bewuste wilsuitoefening lijkt een specifiek neuronaal circuit betrokken te zijn waarin wŤl 'hogere' hersenorganen een rol spelen, het loopt tussen cortex, basale ganglia en thalamus, de zgn. 'cortico-basale ganglia-thalamo-corticale lus' (zie Newman, 1997).

      (d)

      Activiteit van specifieke neuronale celtypen.


      Na een voorbereidende onbewuste verwerking door 'inter-neuronen', zorgen in de cortex aanwezige 'principale neuronen' voor het beslissen over verzending van 'samengevatte' signalen die onder bewuste aandacht kunnen komen (P.M. Churchland, 1993).
      Voor die principale neuronen wordt met name gedacht aan de zgn. piramidecellen: relatief grote, snel werkende neuronen die in krachtige uitbarstingen hun signalen afvuren (bursty patroon). Ze werken activerend (excitatoir) in plaats van remmend (inhibitoir), en snel. Deze piramidecellen bevinden zich in de neocortext, met name in de diepergelegen, zgn. binnenste piramidelaag (corticale laag V, de lamina ganglionaris). Ze lijken vooral betrokken in hogere sensorische, motorische en cognitieve verwerking, geheugentaken, en bewuste intentionele aandacht. (Shepherd 1994, Crick 1994, p. 251, Ransford 1995).

      (e)

      Activiteit van specifieke neurotransmitters.


      Dat betreft met name de neurotransmitters met een snelle en activerende werking (een excitatoir karakter).
      Voor waaktoestand en arousal zijn dit mono-aminozuren, waaronder catecholaminen zoals adrenaline/ epinefrine, noradrenaline/ norepinefrine (NA) en dopamine (DA), en verder de snelste transmitter in het brein, glutamaat. Voor de REM-slaap is de kenmerkende transmitter acetylcholine (ACh).

      (f)

      Post-synaptische (dendronale) receptors.


      Dit zijn met name post-synaptische receptoren van het relatief snelle, NMDA-geactiveerde type (NMDA = N-methyl D-aspertaat). Deze worden gevonden in de dendronale synapsen van piramidecellen.
      Voor synaptische receptoren van het NMDA type, die gedeeltelijk voltage-gevoelig zijn, is een kritisch voltage van -35 mV van het postsynaptische membraanpotentiaal de drempelwaarde om geactiveerd te kunnen worden door de presynaptische release van snelle neurotransmitters zoals glutamaat (H. Flohr, U. Glade, D. Motzko, 2000; in: J. Schulte am Esch, J. Scholz, P.H. Tonner (Eds.)).
      De NMDA-receptoren worden bij uitstek uitgeschakeld bij algehele anaestesie. Ze blijken dus cruciaal voor de handhaving van subjectief bewustzijn.

      (g)

      Een dominante rol van specifieke ionen.


      Voor de overgang van onbewuste naar bewuste verwerking kunnen specifieke ionen een rol spelen. Het gaat dan vooral om Calcium, maar wellicht ook Natrium en Kalium, in processen als interneuronale signaaltransmissie, transductie van membraanpotentialen naar interne chemische signalen, en intracellulaire signaalgeleiding. GeÔoniseerd Calcium (Ca++) dient in onder meer NMDA-receptoren bij de transductie van een electrisch signaal en de omzetting daarvan in een chemisch signaal binnen de cel dat kan bijdragen aan depolarisatie van de cel. (Cooper et al. 1991, Levitan & Kaczmarek 1997, p.124).

      (h)

      Specifieke hersenactiviteit.


      Tijdens bewuste episoden vertonen de actieve hersengebieden globaal gezegd bepaalde signaalpatronen en hersengolven met typische kenmerken. Dit is vooral het geval tijdens waakbewustzijn maar ook, zij het veel minder eenduidig, tijdens verschillende slaapstadia met droom-achtige mentale activiteit (mentation) die subjectief merkbaar is aan bewuste gewaarwordingen.
      Het algemene - en voor de hand liggende - idee is dat naarmate de globale activatie van het centraal zenuwstelsel toeneemt, vooral van de 'hogere' en 'nieuwere' corticale hersengebieden, de mentale activiteit evenredig zal toenemen, en daarmee de aanwezigheid, intensiteit en variatie van bewustzijn eveneens zal toenemen. Allereerst blijkt tijdens die episoden een globale 'ondertoon' van activatie, en daarnaast is er lokale activiteit gerelateerd aan specifieke stimulatie, gerichte aandacht, intensieve verwerking of inspanning.

      (I)

      Hersenactiviteit tijdens bewuste waaktoestand.


      Tijdens bewuste episoden vertonen de actiepotentialen van de neuronen van de neocortex een actief en levendig ontladingsgedrag. Het ontladingsritme is, als weergegeven met een electro-encephalogram (EEG), betrekkelijk snel (vuursnelheid, frequentie van actiepotentialen), het ligt bij actief en intensief functioneren in de bereiken genaamd BŤta (ca. 15-35 Hz) en gamma (ca. 35-85 Hz) met lage signaalkracht (ca. 2-20 uV), en in kalme en ontspannen toestand in het bereik van alpha (ca. 7-15 Hz), met hogere amplitude (ca. 20-50 uV).
      In actieve waaktoestand reageren de neuronen in sterke mate onafhankelijk van elkaar op hun specifieke invoersignalen. Als gevolg vertoont het corticale EEG onregelmatig, zgn. gedesynchroniseerd verloop. Het lijkt hierdoor alsof de neocortex over het geheel een schijnbaar chaotische of random ontladingsactiviteit ten toonspreidt.
      In meer ontspannen toestand is de hersenactiviteit meer diffuus en monotoon, en vertoont het EEG een regelmatiger, gesynchroniseerd verloop.

      (I.a)

      Globale stimulatie tijdens waakepisoden.


      In de bewuste episoden wordt de activiteit van de cortex globaal gemoduleerd door voortdurende stimulatie vanuit neuronen in subcorticale gebieden: met name de hersenstam (vooral de serotonerge nuclei raphae) en de middenhersenen (vooral de noradrenerge nuclei locus coeruleus). Tijdens waken (W) betreft dit PS-off cellen, en tijdens REM-slaap PS-on cellen. De kenmerkende signalen hiervan zijn tonisch: ze vertonen een plateauvormig signaalpatroon, als gevolg van een langdurig verhoogde baseline activiteit. Ze zorgen mogelijk voor een hogere signal-to-noise ratio van hersengolven in thalamus en cortex, waardoor wellicht meer markante, dus deterministische signaalpatronen mogelijk worden. Gedacht wordt dat hierdoor verscherping van de aandacht en meer complexe informatieverwerking worden ondersteund (Sutton, et al. 1992; Keeler, et al., 1989; Servan-Schreiber, et al. 1990; Siegel, Nienhuis & Tomaszewski, 1984).

      (I.b)

      Selectieve activatie in bewuste episoden.


      Specifieke stimulatie leidt ertoe dat de signaaloverdracht gepaard gaat met snelle, excitatoire, synaptische transmissie. Bij sterke, afwijkende of variabele sensorische prikkels zoals tijdens taakoefening laat het EEG typische gebeurtenis-gerelateerde ontladingen zien (event-related potentials, ERP's, z. Flohr, 1992). Het signaal heeft daarbij een hoge amplitude, en een frequentie van ongeveer 40 Hz., hetgeen valt binnen het hoogfrequente bereik van 35-85 Hz., dat kenmerkend is voor zgn. gamma-golven (zie Crick & Koch, 1990; tevens 1995; 1998). Het wordt aangetroffen in diverse zintuiglijke modaliteiten.

      (II)

      Hersenactiviteit tijdens bewust dromen (vooral in REM-slaap).


      Behalve tijdens het alledaagse waakbewustzijn zijn er ook nog de bewuste gewaarwordingen tijdens het slapen in de vorm van dromen.

      Het waak-slaapritme, het circadyane ritme, wordt centraal verzorgd door een gebied in de hypothalamus: de nucleus suprachiasmaticum (of supraopticus) (NSC). De interne 'klok' van deze kern wordt afgesteld op basis van wisselingen in het omgevingslicht, met behulp van informatie vanuit het netvlies (retina) via de gezichtsbaan (tractus opticus). De NSC zendt zijn circadyane signalen via twee afdalende projecties naar motorische neuronen van sympathische en parasympathische banen. Hiervandaan lopen noradrenerge (NA) vezels naar de pijnappelklier (hypofyse, HF). De NSC activeert via deze route dus de hypofyse. De hypofyse bevat serotonine. Inname van koolhydraten draagt bij aan een hoger serotonine gehalte in de pijnappelklier. In reactie op signalen van de NSC zorgt de hypofyse voor de omzetting van serotonine in het monoamine neurohormoon melatonine. (Zoals ook in de nucleus raphae gebeurt). Melatonine is een belangrijke factor in de inductie van slaap. Vervolgens wordt door de hypofyse meer melatonine afgescheiden in de bloedbaan. Tegen het einde van de waaktoestand neemt de toevoer van norepinephrine/ noradrenaline (NA) naar de hypofyse af, en daarmee de afscheiding van melatonine door de hypofyse.

      Kenmerken van de slaapstadia:


      De aard en de intensiteit van de bewuste droommomenten blijkt te wisselen met het verloop van de slaap. Gebleken is dat de slaap in de regel plaatsvindt in cycli van ca. 60 tot 90 minuten (een BRAC = basic rest to activity cycle), met elk een vast aantal typische fasen of stadia. Enkele typerende verschijnselen in de diverse stadia van de slaap:
      De eerste drie slaapstadia zijn de non-REM (NREM) stadia (N1 tot en met N3):
      • In stadium N1, de 'beginnende slaap' (sleep onset, SO) vindt een overgang plaats van ontspannen waaktoestand met alpha golven (ca. 7-13 Hz). naar 'soezen' of 'indommelen' met theta golven (ca. 4-7 Hz).
      • In stadium N2, van lichte slaap zonder bewustzijn, vindt een verdere vertraging van de hersengolven plaats.
      • In stadium N3, de 'diepe slaap' (slow wave sleep, SWS, voorheen stadia 3 en 4 genoemd) hebben de hersengolven een grote signaalkracht (75 uV), maar vertragen ze tot delta golven (ca. 0.5-4 hz).
      Het laatste slaapstadium is dat van de zgn. REM slaap. Hierin vertonen de hersengolven kenmerken die sterk overeenkomen met die in de waaktoestand: hoge frequenties, vooral in het BŤta bereik (ca. 15-35 Hz), lage voltages (ca. 10-20 uV) en asynchroon verloop.
      van secundaire hersenschors, met name visuele gebieden in de occipitaal-pariŽtaal gebieden en auditieve gebieden in de voorhersenen.

      Bewustzijn tijdens slaap.


      Het blijkt dat droomprocessen vooral plaatsvinden in de laatste fase van de slaap-waakcyclus. Deze slaaptoestand vertoont een hele reeks kenmerken die haar onderscheiden van die in de andere vier slaapfasen, en wordt vaak aangemerkt als de 'actieve', de 'paradoxale', de 'gedesynchroniseerde', of de 'REM-slaap'. Het laatste vanwege het optreden van typerende, snelle oogbewegingen, Rapid Eye Movements). (Voor de eerste meldingen van dit verband zie Aserinsky & Kleitman, 1953; Dement 1955; Dement & Kleitman 1957; Arkinet al., 1978).
      Voor REM slaap bedraagt de dream recall gemiddeld ca. 82 procent (T.A. Nielsen, 2000, 'Mentation in REM and NREM sleep'). De dromen blijken in de REM-slaap ook een wat langer durende, relatief levendige en 'anekdotische' vorm te hebben. Op grond hiervan vond de overtuiging algemeen opgang dat REM-slaap een inherent kenmerk is van droomactiviteit, en dan met name bewust dromen (zie voor een overzicht: Nielsen & Montplaisir 1994; Lavie 1994; Rechtschaffen 1994; Berger 1994; Foulkes 1993).
      Verder is het begin van de REM slaap fase redelijk goed te herkennen op basis van specifieke neuronale correlaten oftwel markers. Een aantal hiervan vormen fysiologische indicatoren van mentale activiteit in waaktoestand - die vaak met bewustzijn gepaard gaat. Het is dan ook mogelijk dat deze correlaten voor een deel ook kunnen gelden voor momenten van bewust dromen.

      Interessant zijn verder kenmerkende golven van ca. 2 mV, die in de pons ontstaan en een pontair-(thalamo-)geniculair-occipitale route afleggen: reden waarom ze PGO golven worden genoemd. Deze signalen zijn typisch fasisch: ze hebben een kortdurend, hoog signaal, dat piekvormig (burst mode firing) is. Ze starten vanuit - vooral cholinerge - 'PGO-on' cellen, gelegen in de regio peribrachium van de pons (m.n. de nuclei tegmentis meso-pontinis, lateralis dorsalis) en in de middenhersenen (m.n. de nuclei tegmenti pedunculo-pontinis, lateralis medialis). De efferente vezels (axonen) van deze kernen projecteren naar de voorhersenen, met name respectievelijk thalamus (m.n. nucleus genicilatum lateralis) en visuele cortex (lobus occipitalis). De PGO-signalen lijken onder meer te zorgen voor een selectieve stimulatie van secundaire visuele en auditieve gebieden in de voorhersenen. Het is denkbaar dat ze daardoor kunnen bijdragen aan de typerende, 'filmische' droombeelden die mensen tijdens de REM slaap worden ondervonden.
      Gedacht wordt dat via deze specifieke REM activiteit in de hersenen een soort 'pseudo-waaktoestand' wordt gecreŽerd, waarin leerervaringen als het ware in vitro kunnen worden geconsolideerd.
      Tijdens de REM-slaap zijn er daarnaast nog in de hippocampus autonome, kortdurende, tonische gesynchroniseerde ontladingen, in golven met tragere theta ritmes (4-7 Hz).

      Het is echter opmerkelijk dat de correlatie tussen neuronale activiteit en bewuste ervaring zeer 'los' lijkt te zijn voor de toestand van de slaap.
      (a)

      REM-slaap niet voldoende voor bewust dromen.


      Zo blijft er nog altijd ca. 18 procent REM-slaap zonder droomherinnering. REM slaap lijkt dus niet zonder meer een voldoende voorwaarde te zijn voor herinnering van dromen.
      (b)

      REM-slaap niet noodzakelijk voor bewust dromen.


      Mensen maken bovendien ook melding van droom-achtige mentale processen (aangeduid met de brede term mentation) wanneer ze ontwaken uit andere dan de REM-slaap stadia, de zgn. NREM slaap (Goodenough et al., 1959; Foulkes 1962; 1966; 1985; Foulkes et al. 1966; Vogel et al. 1966; Foulkes & Vogel 1965; Foulkes and Vogel, 1965; Pivik and Foulkes, 1968; Vogel 1978; Foulkes 1982; Foulkes and Schmidt, 1983; Rechtschaffen et al., 1963a; Fein et al. 1985; Cavallero and Foulkes, 1990; Cavallero et al. 1992; Antrobus, 1983; Cavallero et al., 1992; Stickgold et al., 2001). Voor de verschillende NREM stadia bedragen de gemiddelde scores van droomherinnering ruwweg: in stadium 1 (sleep onset, SO) ca. 31-76 procent, stadium 2 ca. 40 procent, en stadium 3 en 4 ('diepe slaap', slow wave sleep, SWS) ca. 60 en 40 procent. De gemiddelde score van dream recall uit NREM slaap bedraagt minder dan de helft van die van REM, maar is niettemin nog aanzienlijk: nl. gemiddeld 43 procent (T.A. Nielsen, 2000).
      Het valt wel te verwachten dat de neurofysiologische kenmerken van NREM slaap met de meest levendige mentale activiteit gelijkenis zullen vertonen met de kenmerken van REM slaap met typisch bijbehorende mentale activiteit (Nielsen, et al. 1995). Omgekeerd is de verwachting dat lage corticale activiteit tijdens de slaap met maximale synchronisatie van de hersengolven niet kan samengaan met enige mentale activiteit van betekenis.
      Anderzijds wordt echter gerapporteerd dat mensen zelfs na ontwaken uit de diepste slaapstadia, wanneer de algehele cerebrale activiteit tot een minimum is gedaald en de hersengolven alleen een traag, eenvorming en synchroon ritme vertonen - en daarom een negatieve indicatie vormen voor neuronale activiteit - melden dat ze bepaalde mentale activiteit hadden in de vorm van dromen die zij naar het schijnt bewust hebben ondervonden. (P.C. Cicogna, V. Natale, M. Occhionero, M. Bosinelli, 2000). ".. vivid imagery may appear well before classical signs of REM sleep, during a period of apparent EEG-synchronized sleep" (Steriade et al., 1989, p. 2228; zie ook McCarley, 1994).
      Het blijft in al deze gevallen moeilijk te bepalen of er werkelijk bewuste dromen worden herinnerd, of alleen maar onbewuste mentale processen worden gerapporteerd die pas achteraf, tijdens of na het ontwaken, herinnerd worden.
      Al met al kunnen we niet stellen dat REM-slaap zonder meer een noodzakelijke voorwaarde is voor herinnering van dromen.

      Kortom, de specifieke kenmerken van de REM-slaap tijdens bewuste gewaarwordingen kunnen aanwijzingen geven over de neurofysische factoren die behoorlijk nauw gerelateerd zijn aan de causale voorwaarden voor bewustzijn - maar de laatste zijn daarmee nog niet aangetoond.

      (i)

      Andere mogelijk relevante neurofysiologische verschijnselen.


      Allerlei andere neurologische processen en functies worden wel aangewezen als kenmerken, dragers of veroorzakers van bewustzijn, bijvoorbeeld speciale micro-biologische structuren zoals zgn. 'microtubules', dat zijn proteÔnen die zich in bepaalde neuro- synaptische poortjes en kanaaltjes bevinden (zie o.m. Stuart R. Hameroff & Roger Penrose, 1996).
      Opgemerkt moet worden dat deze theorieŽn uiterst speculatief zijn, of in meerder opzichten zelfs onaannemelijk (zie o.m. R. Grush & P. Smith-Churchland ).

      Dit zeer beknopte overzicht laat al zien dat er vele neuro-fysische eigenschappen zijn die verband houden met bewustzijn.
      De neuronale activiteit die meestal met bewustzijn gepaard gaat bestaat uit een samenspel van onnoemelijk veel factoren en variabelen die onderling interacteren op talloze manieren die uiterst complex en goeddeels onopgehelderd zijn. Het is daardoor heel lastig en vaak (nog) niet mogelijk om uit het gehele systeem van neurofysische activiteit eventuele causale factoren voor bewustzijn kenmerken te isoleren, te destilleren en te determineren.
      De cruciale vraag is of er neurofysiologische verschijnselen zijn die eenduidige kenmerken vormen waarmee bewustzijn kan worden afgebakend. Anders gesteld: is het wel zo dat deze kenmerken nooit aanwezig zijn zÚnder dat bewustzijn aanwezig is, en vice versa? Daarvoor moeten minstens twee zaken worden aangetoond:
      (1) De kenmerken moeten echt uitsluitend aanwezig zijn en een actieve rol spelen in relatie tot de feitelijke aanwezigheid van subjectief bewustzijn.
      (2) Ook moet worden bewezen dat deze kenmerken niet eveneens, in meer of mindere mate, kunnen gelden voor onbewuste, voorbewuste of buitenbewuste verschijnselen.
      Uitkomsten van neurofysiologische onderzoeken wijzen wel, voor sommige van deze kenmerken, op bepaalde tendenties in die richting. Maar er is nog geen uitsluitsel (zie o.m. C.V. Borst, 1970).

      Enkele contra-indicaties


      Er zijn daarnaast aanwijzingen die afbreuk doen aan een sluitende correlatie tussen corticale activiteit en aanwezigheid van bewustzijn:
      (1)

      Niet noodzakelijk uniek.


      Het is moeilijk om vast te stellen in hoeverre alle kenmerken van corticale activiteit werkelijk uniek zijn voor bewustzijn, dat wil zeggen, nooit aanwezig zijn zonder dat bewustzijn aanwezig is.
      Veel van die factoren, variabelen en interacties blijken ook, en soms in sterke mate, actief tijdens niet-bewuste toestanden. In dat geval is het uitgesloten dat ze werkelijk een voldoende indicatie vormen voor bewustzijn.
      (2)

      Niet noodzakelijk inherent.


      Daarnaast is het lastig om te bepalen of bijvoorbeeld hoge corticale activiteit werkelijk inherent is aan bewustzijn, dat wil zeggen, altijd aanwezig is als bewustzijn aanwezig is.
      Er zijn toestand van Maar het maakt het ook onmogelijk om specifieke neuronale mkenmerken aan te wijzen die strikt noodzakelijk zijn voor subjectief bewustzijn in contrast met onbewust functioneren.

      Mogelijk inverse causaliteit?


      Een lastig punt is dus dat bepaalde corticale activiteit wel statistisch sterk kan samenhangen met bewustzijn, terwijl er toch uitzonderingen of contra-indicaties kunnen voorkomen die niet voortkomen uit toevalsvariantie (ruis of random error), maar uit een systematische structuur van de interactie tussen lichaam en 'geest': waarbij neurofysische factoren op hun beurt invloed ondergaan van bewuste mentale processen. Immers, bepaalde bewuste mentale 'manoeuvres' of operaties (denken, fantaseren, beslissen, enz.) blijken aantoonbaar een gevolg te hebben voor de processen in de hersenen: ze worden gevolgd door evenredige veranderingen in die processen, en hoewel dit ook weer allťťn valt aan te tonen als een chronologische relatie, het is niet strikt uitgesloen dat het bovendien een causale relatie zou kunnen zijn.
      We zullen hier dieper op ingaan bij de toetsing van de neurofysische reductievormen.

      (I.1.2) Inherente kenmerken van bewustzijn die fysisch- Ťn informatie-gerelateerd zijn


      ('Pseudo-fysische' kenmerken van bewustzijn).



      Er zijn verder kenmerken die inherent lijken te zijn aan bewustzijn, en tegelijk indirect geassocieerd zijn aan neuronale verschijnselen. Bovendien hebben ze te maken hebben met ordeningsrelaties en vormaspecten van de bewuste ervaringsinhoud. In dat opzicht kunnen we ze als informatie-gerelateerde kenmerken beschouwen.
      Maar daarnaast houden ze op indirecte wijze, en tenminste op face value, verband met diverse neurofysische of althans fysische processen en eigenschappen. Het zijn dus kenmerken die combinaties van fysische factoren en van informatie-aspecten lijken te behelzen. Het zijn met andere woorden kenmerken die niet, of niet noodzakelijk, uniek zijn voor bewustijn.
      Ze lijken in sommige opzichten op fysische eigenschappen maar ze zijn feitelijk niet als fysisch aan te merken.
      Voorbeelden hiervan zijn:
      (a)

      Gradaties in bewustzijns- en belevingsintensiteit.


      De intensiteit van bewustzijn en beleving is behoorlijk sterk gecorreleerd met het globale niveau van neuronale activiteit. (We kunnen hiervoor een analogie vinden in fysische maten voor intensiteit, zoals kracht, energie, en dergelijke).

      (b)

      Gradaties in bewust-onbewust overgangsfasen.


      Bewuste toestanden, episoden of fasen kennen een graduele overgang, grens of afbakening in de tijd ten opzichte van onbewuste of minder bewuste fasen, processen en inhouden. Deze houdt sterk verband met het slaap-waakritme, en binnen de slaapcyclus met de meest markante faseveranderingen: van waken naar de eerste slaapstadia oftewel de niet-REM stadia, van de laatste naar het REM slaap stadium met eventueel bewuste dromen, en van daaruit weer naar (bewust) ontwaken. Het is wat lastiger om van de psychische inhouden na te gaan waar precies de grens ligt tussen bewuste ervaring en onbewuste processen, omdat dit sterk individueel bepaald en moment-gebonden is (het Introspection problem).
      We kunnen van de slaap- en waakstadia talrijke kenmerken en correlaten terugvinden in processen en structuren van het zenuwstelsel. Maar om uit te maken welke daarvan mogelijkerwijs een robuuste causale bijdrage leveren aan bewustzijn, blijkt een buitengewoon complex probleem.

      (c)

      Gradaties in bewust-onbewust inhoudstoestanden.


      Er is een graduele afbakening van bewuste inhouden tegenover onbewuste of minder bewuste inhouden. De selectie van psychische inhouden voor bewustzijn is enigszins af te lezen aan de richting van de bewuste aandacht, en de activatie van specifieke neuronale gebieden zoals sensorische en somato-sensibele functievelden in ruggemerg, verlengde merg, thalamus, en cortex.

      (d)

      Indirecte relatie tussen modaliteiten van subjectieve psychische inhouden en fysische wetmatigheden.


      Bewustzijn 'bevat' als het ware subjectieve ervaringsinhouden. Bijvoorbeeld zintuiglijke waarnemingen, lichamelijke en/of emotionele gevoelens, herinneringen, fantasieŽn, redeneringen, verwachtingen, verlangens en dromen. Deze inhouden kunnen in principe ook onbewust blijven, sterker, er zijn geen aanwijzingen voor bewuste inhouden die niet eerder, tegelijk of daarna onbewust waren.
      In ieder geval vallen de bewuste inhouden onder subjectieve gewaarwordingen, en de laatste onder de meer algemene, psychische inhouden. We kunnen vaststellen dat onze bewuste gewaarwordingen niet allemaal 'op hetzelfde neerkomen', ze kennen talloze differentiŽle eigenschappen. Gaan we op zoek naar de hoofdlijnen hierin, de dimensies of categorieŽn van mentale inhouden, dan vinden we allereerst de zintuiglijke modaliteiten en submodaliteiten. Deze modaliteiten ervaren we subjectief in kwaliteiten als beeld, geluid, gevoel, smaak en reuk.
      Uiteraard kunnen we de zintuiglijke categorieŽn met behulp van wetenschappelijke kennis (met name de fysica) terugvinden in kenmerken en wetmatigheden in het fysisch domein. Bijvoorbeeld, wat wij in het algemeen, subjectief en intersubjectief, in de visuele modaliteit als de kleur 'rood' ervaren, blijkt overeen te komen met bepaalde meetwaarden van lichtgolven oftewel electromagnetische straling, in het zichtbare spectrum, nl. een golflengte van ruwweg 627 tot 780 nanometer c.q. 478 tot 384 teraHerz. Maar het is duidelijk dat we die kennis helemaal niet nodig hebben om de qualia van onze mentale inhouden, zoals de 'roodheid' van rood te ervaren, sterker, dat die fysische wetmatigheden weliswaar relevant zijn voor de processen in de externe empirie, maar niet, en zeker niet rechtstreeks, voor de hoedanigheid van onze subjectieve beleving.

      (e)

      Indirecte relatie tussen modaliteiten van subjectieve psychische inhouden en neurofysische processen.


      We kunnen dus een indeling maken van bewuste inhouden naar neuronaal-gerelateerde dimensies, zoals zintuiglijke kanalen, oftewel sensorische en somato-sensibele modaliteiten, systemen en circuits. Deze zijn op hun beurt weer duidelijk gecorreleerd met specifieke neuro-anatomische en fysiologische componenten in het perifeer en centraal zenuwstelsel, zoals zintuigorganen, neuronale celtypen, vezels, weefsels, banen en trajecten, synaptische receptoren, transmittermoleculen, ionen, hersengolven, locaties, functievelden en windingen van hersenorganen zoals thalamus en hersenschors, enzovoorts.
      Alles wijst er daarom op dat de inhoudelijke subjectieve ervaringskenmerken - dus kenmerken van bewuste inhouden - via neurofysische processen in de centrale gebieden van de cortex worden geconstrueerd. Ironisch is echter dat we ze juist daar niet direct, via empirische waarneming, in kunnen terugvinden. De relatie tussen deze neurofusische processen en bewustzijn is dus wat de ervaringsinhouden betreft in hoge mate indirect.
      {Nb. Zie onder meer het 'Binding Problem', het 'Upshot Problem', het 'Qualia Problem' en andere tantalizerende raadsels, mysteries en vraagstukken. }

      (f)

      Indirecte relatie tussen vormaspecten van subjectieve psychische inhouden en fysische kenmerken.


      De inhoud van bewuste beleving kent verder allerlei vormaspecten of maataspecten. Sommige subjectieve vormaspecten van bewustzijn hebben een sterke gelijkenis met fysische eigenschappen, en dat geldt allereerst voor het totaal van onze subjectieve ervaring op vrijwel elk moment van alledaags bewust functioneren in waaktoestand. Dit totaal staat ook bekend als de zgn. 'Bubble of Perception' (D. Gordon, 1984), of het 'Cartesian Theatre' (o.a. Dennett & Kinsbourne, 1992b, pp.234-247).
      In de visuele en kinesthetische modaliteit wordt dit gekenmerkt door een bepaald ruimtelijk volume. Het is in feite een soort 'pseudo-fysische ruimte', die uitsluitend subjectief en exclusief individueel kan worden ervaren, maar die toch heel algemeen bekend is en een aantal typische kenmerken heeft die door vrijwel iedereen op louter bewuste subjectieve ondervinding kunnen worden herkend. Zo staat deze ruimtelijkheid duidelijk in relatie tot de fysische positie en contouren van het eigen lichaam. Maar deze relatie is weer niet zonder merkwaardigheden. We ervaren deze ruimte meestal als een veelvoud van het fysieke volume van de hersenen (wat op zich al curieus is): minstens zo ver als de horizon van onze zintuiglijke waarneming op hetzelfde moment reikt. Op momenten kan ze zeer uitgestrekt zijn: bijvoorbeeld bij het overzien van een helder vergezicht, of bij het zogenaamde 'vliegen' dat in een droom kan plaatsvinden.
      Daarbij heeft het in het algemeen, in onze beleving, min of meer een bol-, ovaal- of koepelvorm, met een sterke (visuele) transparantie, en een zekere luciditeit.
      In de auditieve modaliteit is er allereerst tijdbesef, of chronologie (bijvoorbeeld in relatie tot de dag- en nachtcyclus).
      De inhoud van deze intra-psychische 'ruimte' kan zowel met externe omgevingswaarnemingen als interne gewaarwordingen (herinneringen, bedenksels, gevoelens, enzovoorts) verband houden.
      Dit soort eigenschappen houden een zeker verband met dimensies van de fysische werkelijkheid, maar we kunnen moeilijk volhouden dat ze op dezelfde manier fysisch 'zijn'.
      (1)

      Extra kenmerken (quasi-fysisch).


      Een mentale voorstelling van zaken, zoals een redenering, fantasie of droom, hoe intensief, levendig en meeslepend ook, gehoorzaamt nu eenmaal aan heel andere wetten en ordeningsprincipes dan de externe empirie, c.q. het fysische domein. Hierin ligt het hele verschil tussen fantasie en werkelijkheid. De subjectieve beleving lijkt bij uitstek van virtuele aard, en wat betreft inhoud en omvang nogal flexibel, plooibaar en rekbaar, afhankelijk van de reikwijdte van de bewuste aandacht. We kunnen de bewuste belevingswereld dus beter voorlopig als 'quasi-fysisch' beschouwen.
      (2)

      Ontbrekende kenmerken.


      Het bewustzijn mist daarnaast typisch bepaalde fysische eigenschappen, die verder nogal gebruikelijk zijn in het materiŽle heelal, zoals massa, elektrische lading en dergelijke.
      {N.b. Afwezigheid van fysische eigenschappen kan echter in principe ook gelden voor sommige situaties in de fysische werkelijkheid, zoals een zgn. 'absoluut vacuŁm'. Hoewel in die volkomen leegte toch nog bepaalde zaken schijnen plaats te vinden in de vorm van het spontaan en lukraak verschijnen en verdwijnen van subatomaire deeltjes, stralingen of energiepakketjes, de zgn. quantum-fluctuaties. Zulke exotische buitenissigheden op subatomaire of juist astronomische schaal blijven niettemin weer van heel andere orde dan de op zich al raadselachtige vormkenmerken van de meest alledaagse ervaringen in het bewustzijn.}

      (g)

      Netwerkstructuur in bewust denken en beslissen.


      Het 'gedrag' van bewuste processen zoals denken en beslissen vindt mogelijk plaats volgens de algemene systematiek van signaalverwerking in het zenuwstelsel, die veel weg heeft van een netwerk-structuur (neural network, neural net).
      Deze netwerk-structuur kunnen we empirisch herkennen aan de snelle divergentie en convergentie van chemische en electrische signalen, zoals transmitterstoffen en actiepotentialen in het zenuwstelsel (zichtbaar te maken met behulp van scan-technieken zoals EEG, MR!!I, PET, CAT, enzovoorts). Punt is wel dat deze kenmerken ook kunnen optreden bij onbewuste psychische processen, waaronder subliminale cognitieve verwerking.

      (I.2) Niet-unieke kenmerken die informatie-gerelateerd zijn.



      Vervolgens kijken we naar de niet-unieke kenmerken van bewustzijn, die verband houden met informatie-aspecten.
      Dit betreft met name aspecten van structuur, codering, informatie en informatieverwerking.
      We kunnen de categorie van niet-unieke, informatie-gerelateerde kenmerken onderverdelen in twee groepen.

      [*Is dit onderscheid niet weggevallen?:] Ten eerste is dat de groep van kenmerken die, op face value, tevens in verband lijken te staan met bepaalde neurofysische eigenschappen, zoals die eerder (onder 1) werden genoemd.
      Ten tweede is er de groep van kenmerken die (schijnbaar) niet per se zo'n relatie hoeven te hebben.

      (I.2.1) Informatie-gerelateerd kenmerken van bewustzijn van reflectieve aard


      (ook geldig voor neuro-kenmerken).



      Dit zijn kenmerken van bewustzijn, die gerelateerd zijn aan reflectieve informatie.
      Dat wil zeggen dat ze een 'weerspiegeling' zijn van ordening in het fysisch domein, in het bijzonder uiteraard het zenuwstelsel. Ze zijn heel duidelijk in neuronaal gebied aantoonbaar, en eveneens geldig voor neurofysische deels.
      Voorbeelden hiervan:
      (a)

      Gradueel Verschil.


      Oftewel verschil 'van de eerste orde' (Bateson, 1970). Dit is elke 'significante' afwijking van volkomen ruis c.q. toevalsvariantie (signal-to-noise ratio), het is dus een gradueel verschil, continu en analoog van aard. De detectie van dit type verschil is afhankelijk van arbitraire maten, schalen en criteria voor 'significantie' - en dus is het niet eenduidig beslisbaar.
      We kunnen gemakkelijk vaststellen dat het zenuwstelsel bij uitstek werkt met onderscheidingen, en dat tijdens bewuste episodes in de regel meer markante patronen in de hersenactiviteit te bespeuren zijn.

      (b)

      Verandering: verschijnselen met proceskarakter.


      Dit betreft met name de procesmatige variatie in bewuste procesen. Deze kunnen verband houden met de variabele patronen van neuronale 'impulsen' of 'signalen'.

      (c)

      Statistisch aantoonbare samenhang.


      Bijvoorbeeld correlaties tussen verschillende neuronale processen.

      (d)

      Rangschikking van fysische verschijnselen.


      Met name ordening van neuronale processen naar ruimte en naar tijd.

      Deze informatie-gerelateerde eigenschappen zullen vaak samengaan met bewustzijn, en daarom min of meer inherent zijn aan bewustzijn. Dat wil zeggen: zelfs op fysisch niveau gaan de episoden van bewustzijn gepaard met reflectieve of inductieve informatiepatronen. Maar het is duidelijk dat ze nagenoeg met alle mogelijke fysische verschijnselen in het universum kunnen optreden, en dus verre van uniek zijn voor bewustzijn.

      (I.2.2) Informatie-gerelateerde kenmerken van bewustzijn van abstracte aard


      (onafhankelijk van neuro-kenmerken).



      Dit zijn kenmerken van bewustzijn, die gerelateerd zijn aan abstract patroon informatie.
      Deze informatie bestaat uit abstracte inhouden (concepten, structuur-afbeeldingen).
      Deze categorie betreft vrij heldere structuurkenmerken.
      Abstract patroon informatie heeft als intrinsieke kenmerken bijvoorbeeld:
      Als tweede volgen hieronder de niet-unieke, informatie-gerelateerde kenmerken die niet per se in verband hoeven te staan met bepaalde neurofysische kenmerken. Dat wil zeggen, ze kunnen wel in bepaalde opzichten worden teruggevonden in neuronale processen, maar het is tegelijk mogelijk om ze aan te treffen in kunstmatige vorm, zoals de bewerkingsprocessen van automaten, computers en robots.
      (a)

      Eenduidig verschil.


      Dit soort verschil wordt wel genoemd 'verschil 'van de tweede orde' (G. Bateson, 1972).
      Het volgt logisch uit onderscheidingen en ordeningspatronen die al tevoren zijn aangenomen - een bepaald referentiekader, context of scenario, dat 'gefixeerd' is - en is discontinu, discreet en digitaal van aard. De detectie van dit type verschil is nŪet afhankelijk van arbitraire maten, schalen en criteria voor 'significantie' - en dus is het eenduidig beslisbaar.

      (b)

      Discrete informatie-eenheden.


      Deze informatie bestaat uit afgebakende, discrete eenheden, het vertoont als het ware een 'hokjesstructuur'.

      (c)

      Syntactische samenhang.


      De ordeningsrelaties binnen deze informatie zijn typisch 'syntactisch' van aard. Ze hebben van zichzelf geen inherente betekenis, en zijn niet aan een bepaalde specifieke of vaste interpretatie gebonden.

      (d)

      Medium-onafhankelijk.


      Als gevolg van haar syntactische aard is deze informatie ook niet gebonden aan een specifieke (fysische) 'grondstof', een drager of medium. Daardoor heeft deze informatie de eigenschap van Multiple Realizibility.

      (e)

      Niet fysisch reduceerbaar.


      Dit type informatie is niet te reduceren tot fysisch domein. (Ze is immaterieel).
      {Nb. Zie voor de onderbouwing van deze stellig bewering: Dimensies van informatie. Gegevens van verschillende bronnen en niveau's.}

      (f)

      SequentiŽle organisatie van informatie.


      Door de genoemde eigenschappen kan deze informatie ťťndimensionaal gecodeerd worden. Dit impliceert bijvoorbeeld de mogelijkheid van 'linearisatie', die het natuurlijke taalvermogen toepast bij de constructie van taalbouwsels.

      (g)

      Kwantificeerbaarheid.


      Het voorgaande leidt ertoe dat dit type informatie telbaar en meetbaar is: het is kwantificeerbaar. Twee subvormen gelden daarbij:
      (1)

      Kwantitatieve informatiecapaciteit.


      Deze wordt berekend uit het aantal mogelijke combinaties: (syntactische) complexiteit, maximaal combinatorisch volume, gegevensvolume geheugencapaciteit.
      (Minder exacte, want analoge maten zijn verplaatsingssnelheid, verwerkingssnelheid).

      (2)

      Kwantitatief informatiegehalte.


      Dit is de hoeveelheid uitgesloten alternatieven, oftewel positieve entropie, inhoudelijke informatie-opslag.

      (h)

      Geschiktheid voor analytische informatieverwerking.


      Deze informatie is grondslag van processen van 'formele intelligentie', zoals combineren, redeneren en rekenen. Hieronder vallen inductie en modelvorming, logische analyse en deductie, toetsing, verklaring en voorspelling, enzovoorts. Dit is inclusief mogelijkheden als terugkoppeling en recursiviteit.

      (i)

      Immuun voor kwalitatief verschil.


      Dit soort informatie is aan de andere kant per definitie 'kwalitatief neutraal', ofwel kwalitatief irrelevant.
      Een proces waarbij kwaliteit uit kwantiteit ontstaat, een zogenaamde 'emergentie', is erg moeilijk ondenkbaar - tenzij er op zijn minst een factor in het spel is die rechtstreeks een kwalitatieve bijdrage levert of component inbrengt.

      Gezien het voorgaande lijkt het erop dat abstracte informatiepatronen hun eigen unieke kenmerken hebben, die niet tot fysisch domein zijn te herleiden, maar misschien ook niet volledig tot bewust domein. Dat laatste is echter nog niet een uitgemaakte zaak. Mocht het lukken, dan kunnen we de unieke kenmerken van informatie uiteraard scharen onder kenmerken van bewustzijn.

      (I.2.3) Informatie-gerelateerde kenmerken van bewustzijn van inhoudelijke aard.



      Dit zijn kenmerken van bewustzijn, gerelateerd aan subjectieve informatie.
      Subjectieve informatie valt onder inhoudelijke informatie. Deze informatie is in ieder geval niet neuronaal of op andere wijze objectief aantoonbaar. Ze is volledig afhankelijk van subjectieve interpretatie of een 'cognitieve agens' (cognizer).
      (Zie de hermeneutiek, semiotiek, domeinanalyse, enzovoorts).
      Bovendien is ze in ieder geval indirect afhankelijk van bewustzijn.
      Voorbeelden:

      (a)

      Een subjectief referentiepunt.


      Een waarnemingspositie, een referentiepunt.
      {Nb. Vgl. de 'first person point of view (of the agent)' bij Searle, 1980a, p.419-420; 1980b, p.451; 1980c, p.421; 1987a, p.145; 1992, p.20; resp. 'ontological subjectivity' bij Searle, 1989b, p.194; en Velmans, 1997. }

      (b)

      Herkenbaarheid.


      Dat wil zeggen, herkenning van verschil, onderscheid.

      (c)

      Er is een samenhang (coherentie) in subjectieve beleving.


      De inhoudelijke samenhang (coherentie) blijkt uit aspecten van continuÔteit, heelheid en eenheid. Deze samenhang geeft structuur aan mentale inhouden. Die structuur is onder meer nodig voor subjectieve zaken zoals 'begrip', 'inzicht', 'kennis' of 'weten' en dergelijke, ten aanzien van situaties of toestanden. Opnieuw geldt dat zulke mentale inhouden en hun structuurkenmerken ook heel goed onbewust aanwezig kunnen zijn, met name in de vorm van toestandskenmerken van neurofysiologische substanties, structuren en processen. En uiteraard heeft het begrip 'samenhang' op het fysische procesniveau geen enkele betekenis.

      (d)

      Verwijzende functie.


      Door samenhang ontstaat de mogelijkheid van subjectieve verwijzingsrelaties, oftewel betekenisrelaties tussen inhoudelijke gegevens.

      (e)

      Inhoudelijk betekenisgehalte.


      Met de betekenisrelaties ontstaat de mate waarin feitelijk naar zaken verwezen wordt, zogenaamde intensionaliteit, oftewel aboutness.

      (f)

      Het bewustzijn houdt verband met 'hogere' intelligentie.


      Binnen het bewustzijn vinden, onder meer, processen plaats van informatiebewerking; via perceptie, cognitie en rationeel denken: logische analyse, modelvorming, deductie, voorspelling of verwachting, planning en gedragssturing.
      Het bewustzijn houdt sterk verband met geheugentaken, zoals leerprocessen en herinnering of re-activatie van gegevens en reactiepatronen. Bewustzijn heeft met name betrekking op inhouden van het zgn. korte-termijn geheugen (Short Term Memory, STM; vergelijkbaar met het dynamische c.q. virtuele 'internal memory' van computers. Die inhouden worden uitgewisseld met inhouden van het onbewuste, lange-termijn geheugen (Long Term Memory, LTM; vergelijkbaar met 'vaste' geheugens van computers zoals harde en zachte schrijven, CD's, DVD's, enzovoorts).

      (g)

      Het bewustzijn heeft vooral betrekking op het eindresultaat van psychische processen.


      Het bewustzijn vormt kennelijk een verzamelpunt van 'samenvattende' gegevens uit voorbewuste verwerking.

      (h)

      Bewuste processen worden geconcentreerd en gericht in de bewuste aandacht.


      De bewuste aandacht heeft een speerpunt-opbouw, fungeert als een soort 'spotlight'.
      Processen onder bewuste aandacht worden gekenmerkt door sequentiŽle verwerking.
      De 'concentratie' van het denken is afhankelijk van allerlei variabele eigenschappen van de aandacht: gradaties in convergentie, beweeglijkheid (volubiliteit), verdeling, standvastighheid (stabiliteit) en stuurbaarheid.
      {Nb. Deze laatste eigenschap, stuurbaarheid van bewuste aandacht, hoort eigenlijk onder de kenmerken van 'vrije wil'. Zie onder kenmerken-categorie (3b).}

      (i)

      Mogelijkheden van zelf-reflexieve cognitie.


      Het bewuste gewaarwordingsproces is in principe vatbaar voor een zelf-reflexief vermogen. Hierdoor ontstaan de mogelijkheden van zelf-referentiŽle perceptie, cognitie, taxatie en evaluatie. Dat is nodig voor de vorming van een zelf-concept of 'Zelfbeeld' (Concept of Self). Dit kan echter in principe ook onbewust worden gevormd.
      {Nb. Dit staat los van de vraag in hoeverre de inhoud van een zelfbeeld als 'objectief' of zelfs maar 'zinnig' kan gelden.}

      Hierbij wordt verwezen naar allerlei vormen van modelvorming en informatieverwerking in het menselijk denken. Te denken valt aan diverse cognitieve functies in dit verband:
      (1)

      Wereldmodel.


      De vorming van een algemeen wereldmodel, als een soort virtuele spiegelversie van de realiteit.
      Zoals bekend is het wereldmodel opgebouwd uit abstracties zoals generalisaties, versimpelingen, stileringen en symbolen.

      (2)

      Weten van weten.


      Het 'weten wat men weet', het zelfstandig checken of toetsen of men iets reeds weet, c.q. al in zijn geheugen heeft (zelf-reflexieve cognitie).

      (3)

      Zelfwaarneming.


      Het vermogen om zichzelf, het eigen uiterlijk en de eigen externe reacties waar te nemen of gade te slaan (via zelf-reflexieve waarneming).

      (4)

      Zelfconcept.


      De vorming van een interne voorstelling van zichzelf, een zelf-representatie, 'zelfbeeld', zelfconcept of self-model (of 'autobiografisch zelf', volgens A. Damasio, 1994).
      "Perhaps consciousness arises when the brain's simulation of the world becomes so complete that it must include a model of itself" (Richard Dawkins, 1976).

      (5)

      Zelfherkenning.


      Het toetsen van nieuwe zelf-waarnemingen aan het opgebouwde interne zelfbeeld: middels zelf-reflexieve herkenning.

      (6)

      Introspectie.


      Bewuste beleving biedt de mogelijkheid van introspectie. het gadeslaan van de eigen 'interne' subjectieve gewaarwordingen en processen.

      (7)

      Zelfbesef.


      De ontwikkeling van het idee van een eigen 'ik', zelf of identiteit, het besef dat men 'iemand is': een bewust zelf-besef. Dit ontstaat mede op basis van bewustwording van het eerder genoemde zelfbeeld (zie a5).

      (8)

      Zelfcommunicatie.


      Het gebruik van taal inclusief het vermogen om te denken in taal, en innerlijk met zichzelf te overleggen en te discussiŽren via de zgn. 'interne dialoog'. Gedachten kunnen de vorm hebben van interne verbalisaties, of 'gepraat' (te vergelijken met de zgn. inner talk of self-talk volgens de rationeel-Emotieve Therapie (RET), internal dialogue volgens Neuro-linguÔstisch programmeren (NLP), en conversations of speakings of the brain volgens Daniel Dennett).

      We zien hier een reeks stappen van toenemende mate van subjectiviteit, abstractie en complexiteit. Gedacht wordt dat bewustzijn met name zou ontstaan vanuit de meest geavanceerde vormen van mentale representatie.

      Typische eigenschappen van informatie-gerelateerde kenmerken.


      Als we een globale vergelijking maken tussen de neuronale correlaten van bewustzijn en de informatie-gerelateerde kenmerken, dan vallen enkele opmerkelijke verschillen op. De laatstgenoemde categorie betreft vrij heldere structuurkenmerken. Ze hebben een aantal typische kenmerken gemeenschappelijk, zgn. unificerende eigenschappen:
      (a)

      Ze zijn redelijk eenduidig te herkennen en te beschrijven.


      Daardoor zijn ze in principe logisch te analyseren, en dus behoorlijk formaliseerbaar, en vaak zelfs kwantificeerbaar. Ook kunnen we er redelijk scherpe afspraken en regels over opstellen, zoals definities en formules.
      (b)

      Ordening.


      Het betreft kenmerken van de manier waarop verschijnselen, gebeurtenissen, voorwerpen, enzovoorts geordend kunnen zijn in ruimte, in tijd of naar andere dimensies, grootheden, schalen of criteria. Die ordeningswijze kan echter in principe van het ťne ding op het andere worden overgebracht. Structuurkenmerken zijn daarom in principe niet gebonden aan een specifieke drager - van materiŽle of immateriŽle aard (de eerdergenoemde Multible Realizability).

      Niet-uniekheid van informatie-gerelateerde kenmerken.


      Er zijn dus allerlei informatie-gerelateerde eigenschappen die, net als bepaalde neurofysische kenmerken, vaak samen gaan met bewustzijn. Voor veel van deze kenmerken lijkt een sterke, positieve correlatie met bewustzijn te gelden. Maar ook van deze kenmerken is niet aangetoond dat ze altijd aanwezig zijn met bewustzijn, dus inherent zijn aan bewustzijn; en evenmin dat ze niet evenzeer kunnen gelden voor andere, c.q. onbewuste verschijnselen en processen, dus uniek zijn voor bewustzijn.

      Door de genoemde 'meta-eigenschappen', die inherent zijn aan informatie-gerelateerde kenmerken, is het mogelijk gebleken om processen van menselijke informatie-verwerking tot op zekere hoogte met succes na te bootsen (te simuleren) in kunstmatige vorm, bijvoorbeeld in machines, automaten, computers, robots. Maar daardoor zijn ze juist nog minder uniek voor bewustzijn.
      Informatie-gerelateerde aspecten hebben dus hun eŪgen, unificerende en unieke meta-kenmerken. Maar juist door de aard van deze meta-kenmerken is een uniek karakter van informatie-gerelateerde aspecten van bewustzijn veel minder waarschijnlijk dan in geval van de eerder genoemde neuro-kenmerken.

      Wanneer we sommige kenmerken van de neurofysische en de informatie-categorie in combinatie bezien, zullen daar waarschijnlijk bepaalde kenmerken uit volgen van het zenuwstelsel als intelligent systeem. Dat zijn echter niet per se unieke kenmerken van bewustzijn: want intelligente processen - in de zin van complexe informatieverwerking met hoogvalide uitkomsten - kunnen immers ook onbewust plaatsvinden, in het zenuwstelsel, maar ook in het gehele organisme, in elke levende cel en in de meest primitieve levensvorm.
      {N.b. Er wordt zelfs wel gesproken van een soort zelfstandige of leidende interne entiteit, een 'onbewuste', een 'persoonlijkheidsdeel' of 'ego-state' die buiten het bewustzijn om zelfstandig kan opereren als een regelende, redenerende en beslissende interne instantie, een soort 'interne zombie' of 'zombie within' (zie David Chalmers's website). Zie over dissociatie en onbewuste verwerking o.m.: A. David Milner & Melvyn A. Goodale, 1991; 1993; 1995; 1998.}

      De informatie-gerelateerde kenmerken behoren dus eveneens niet tot de unieke kenmerken van bewustzijn. En de neuronale correlaten hebben in principe 'de beste papieren' om te fungeren in een reductionistisch verklaringsmodel van bewustzijn.

      II. Unieke kenmerken van bewustzijn.



      Zoals gezegd is het denkbaar dat het bewustzijn ook echte unieke kenmerken heeft. We zullen nu eerst een aantal mogelijke kandidaten voor zulke kenmerken noemen, en daarna ingaan op de vraag of het eigenlijk wel mogelijk en zinvol is om voor het bewustzijn unieke kenmerken aan te wijzen.

      Wanneer kunnen we nu zeggen of een kenmerk uniek is voor bewustzijn? Dit moet dan een kenmerk zijn dat niet, of althans erg moeilijk, zomaar te ontdekken is in een ander gebied, zoals in vormen van materie of informatie. Echte unieke kenmerken van bewustzijn zullen nooit aanwezig zijn zonder dat bewustzijn aanwezig is. Ze kunnen dankzij deze eigenschap dienen voor een eenduidige afbakening (een cesuur of demarcatie) van het gebied van bewustzijn ten opzichte van het gebied van onbewuste of buitenbewuste verschijnselen.

      De kandidaat-unieke kenmerken van bewustzijn kunnen worden ingedeeld in twee groepen: een groep met betrekking tot relatief 'passieve' ervaring, en een groep die verband houdt met relatief 'actieve' eigenschappen.

      (II.1) Unieke kenmerken van bewustzijn die betrekkelijk 'passief' zijn.



      Deze kenmerken hebben betrekking op de ontvangende kant, de input of 'waarnemingskant' van het psychische proces: de gewaarwording van inkomende gegevens uit zintuiglijke waarneming, lichaamsgevoel, herinnering, associatie en dergelijke, die bestaan uit impressies, percepties en concepten.
      Bijvoorbeeld:
      (a)

      Globale intensiteit van bewustzijn.


      Dit kan variŽren van min of meer 'wakker', helder, bewogen, tot kalm, verdoofd, suf, en dergelijke. De intensiteit van bewustzijn bereikt lokaal een 'piek' niveau in de bewuste aandacht.
      (Bewustzijn omvat echter niet noodzakelijk de meest actŪeve psychische inhoud - die kan immers net zo goed onbewust manifest zijn).

      (b)

      Een graduele convergentie in de intensiteit van de bewuste aandacht.


      Oftewel de 'speerpunt-opbouw' van de bewuste aandacht. Dit in contrast tot de meer gedifferentieerde en gefragmenteerde, divergente en simultane onbewuste processen.

      (c)

      Subjectieve gewaarwordingen (sentiency).


      Alle inhouden van het 'fenomenaal veld'. Dit betreft mentale inhouden, oftewel subjectieve gewaarwordingen. Deze behouden hun differentiŽle kwaliteiten, die deels overeenstemmen met zintuiglijke modaliteiten (zie hiervoor, onder 2a). Zo ervaren we in het bewustzijn beelden, geluiden, gevoelens, geuren, smaken en dergelijke.

      (d)

      Belevingskwaliteit (ondervonden qualia).


      Bijvoorbeeld sensorische kwaliteit zoals lichtkracht, roodheid, melodie, zwaarte, warmte, hardheid; 'gevoelswaarde' zoals stemming, 'sfeer', genot; emotionele kwaliteit zoals plezier, teleurstelling, verdriet, vreugde, liefde, vertedering, boosheid, vertrouwen, angst, en dergelijke.
      {Nb. Deze verschillende soorten van belevingskwaliteit kunnen natuurlijk hier en daar door elkaar lopen.}

      (e)

      Belevingsintensiteit (impressiviteit).


      Dit gaat om de ondervonden kracht, diepte of 'affectieve' intensiteit van ervaring: neutraal, 'vlak', indringend, 'scherp', en dergelijke.

      (f)

      Ondervonden zinvolheid (pregnantie).


      De mate van herkenbaarheid, bekendheid, duidelijkheid, ... van een bewuste voorstelling of een percept.

      (g)

      Ondervonden betekenisgehalte.


      (intensionaliteit, zie John Searle).
      De mate van (on)belangrijkheid, indrukwekkendheid, die niet direct voortvloeit uit de belevingsintensiteit, maar uit de inhoudelijke implicaties en connotaties.

      (h)

      Globale kwaliteitsbeleving.


      Welbevinden of voldoening (satisfactie): geluk, leed ...

      (i)

      Vormen van bewuste zelf-reflexiviteit.


      Deze verschillen van de eerdergenoemde mogelijkheden van zelf-reflexieve cognitie in het feit dat ze bewust worden ervaren.
      Bijvoorbeeld:
      (1)

      Bewuste introspectie.


      Bijvoorbeeld: bewust 'toezicht' of supervisie, op het verloop van het eigen denken, voelen en reageren.
      (2)

      Bewust weten van bewust weten.


      Het vermogen om bewust te weten of te bemerken dŗt men ergens een bewust besef van heeft: een zelf-reflexief bewustzijnsbesef. We kunnen immers binnen ons bewustzijn rechtstreeks gadeslaan wat we zoal zelf - bewust - denken en voelen. En vervolgens kunnen we beseffen dat we deze bewust gadeslaan.
      (3)

      Bewust zelfbesef.


      De bewuste ervaring of bemerking dat men een 'zelf' is, een individu, persoon, enz., met een eigen subjectieve waarnemingspositie Een 'ik-gevoel', 'zelfgevoel', 'ik-besef', ' 'zelfbesef' (self-awareness).
      {Vgl. het Homunculus problem, oftewel Cartesian Theater problem.}

      (II.2) Unieke kenmerken van bewustzijn die meer 'actief' zijn.



      Deze kenmerken hebben te maken met de 'reactiekant' van het psychische proces, en hebben dus meer relatie met specifieke vormen van (bewuste) waardering, 'kleuring' of sturing: processen als bewuste taxatie, voorkeur, keuzevorming, wilsbesluiten en min of meer effectieve zelfsturing.
      Bijvoorbeeld:
      (a)

      'Dynamische' eigenschappen van de bewuste aandacht.


      Bijvoorbeeld richting van beweging, frequentie en snelheid van beweging (beweeglijkheid, volubiliteit), verandering van aandachtsbereik (focus).

      (b)

      Componenten van 'vrije wil' (voluntarisme).


      Verder gelden voor het bewustzijn nog de diverse unieke kenmerken van 'vrije wil' (voluntarisme).
      Dit is op zichzelf een veelomvattend onderwerp, maar in het kort kunnen we de volgende aspecten en ingrediŽnten onderscheiden:
      (1) Bewust besef van een scala van beschikbare keuzemogelijkheden of opties.
      (2) Ervaring van een zekere speelruimte van bewuste keuzevrijheid.
      (3) Vorming van subjectieve voorkeurswaarde (taxatie, appreciatie, evaluatie, preferentie), het bepalen van de mate van (on)wenselijkheid.
      (4) Vorming van bewuste doeluitkomst, doelstelling, bedoeling, motief (intensionaliteit).
      (5) Bewuste conceptvorming, selectie, eventueel ook planning, van een gewenste actie of operatie.
      (6) Bewust wilsbesluit, oftewel 'vrije keuze'.
      (7) Feitelijk werkzame bewuste zelfsturing (met feedback-geleide modificatie).
      (8) De bewuste keuze om de eigen keuzevrijheid te erkennen: verantwoordelijkheid nemen.
      (9) Bewuste meta-taxatie of meta-evaluatie: een bewuste evalatie achteraf over eigen evaluaties, en daarmee afwegingen, doelen, keuzes, reacties en gedragingen.

      Van de hier genoemde kenmerken kan in ieder geval in redelijkheid worden gezegd dat ze van een heel andere orde zijn dan de eerdergenoemde eigenschappen in relatie tot fysische en abstracte verschijnselen.
      {Nb. Vgl. het Knowledge argument: het bewustzijn heeft bepaalde eigenschappen, zoals de subjectieve ervaringsinhoud c.q. kenbaarheid van kleuren, die niet op grond van alleen fysische kennis of logisch inzicht kenbaar zijn (Frank Jackson, 1982)}.

      Als we even aannemen dat er geen andere belangrijke, wezenlijk verschillende domeinen in de werkelijkheid zijn, lijkt het dat we hiermee aannemelijke voorbeelden hebben van unieke kenmerken van bewustzijn.

      De kwalificatie van sommige bewustzijnskenmerken als 'uniek' vraagt wel om een filosofische nuancering. We hoeven nog niet de logische mogelijkheid uit te sluiten, dat er een werkelijkheid zou kunnen bestaan, een zgn. possible world, waarin deze kenmerken geen van alle uniek blijken te zijn voor bewustzijn, en ze allemaal net zo goed voor iets anders kunnen gelden. Anders gezegd, we moeten hier niet vervallen in een voorbarige, positieve aanname, die een afsluiting van logische opties inhoudt (d.i. de drogreden 'petitio principii', oftewel 'begging the question').
      Hier staat tegenover dat we in het dagelijks leven niet voortdurend rechtstreeks te maken hebben met het universum van alle denkbare logische mogelijkheden die onderling allemaal in precies gelijke mate onbeslist zijn, dus 'open' staan. We hebben toch eerder te maken met een domein, of wereld, waarin sommige toedrachten meer reŽel, of tenminste beter denkbaar kunnen zijn, dus in ieder geval minder uitgesloten, dan andere toedrachten. Met deze context - die we in de regel 'de realiteit' plegen te noemen - hebben we het meest rechtstreeks en het meest concreet te maken, en waarschijnlijk ook het meest frequent. En binnen deze context hebben we het mŪnst te maken met de meest ondenkbare toedrachten of mogelijkheden. Die laatste context mag dan ook als ons meest relevante, dus primaire toetsingskader gelden.
      Vanuit deze laatste context kunnen we ook de vraag naar het unieke karakter van kenmerken van bewustzijn benaderen. Dan volgt allereerst de vraag, of het denkbaar is dat de genoemde kenmerken, die hier als 'uniek' voor bewustzijn worden aangemerkt, eveneens, in meer of mindere mate, kunnen gelden voor onbewuste, voorbewuste of buitenbewuste verschijnselen. Dat is nogal lastig voor te stellen, omdat ze diep betrokken en verwikkeld lijken in de 'essentie' van wat we meestal onder bewustzijn verstaan.
      Het omgekeerde lijkt veel beter denkbaar: de mogelijkheid dat deze kenmerken echt uitsluitend aanwezig zijn in relatie tot bewustzijn, en uitsluitend daarin een actieve rol spelen. Die lijkt ook een reŽle toedracht.
      Daarom denk ik dat we de hier genoemde kenmerken voorlopig kunnen opvatten als echte unieke kenmerken van bewustzijn - totdat anders blijkt.

      (III) Kenmerken die zowel uniek als inherent aan bewustzijn zijn.



      Ten slotte is het denkbaar dat er unieke kenmerken van bewustzijn zijn die tevens inherent zijn aan bewustzijn. Deze zouden dan uiteraard te vinden moeten zijn onder de eerdergenoemde unieke kenmerken.
      Die unieke kenmerken hoeven niet altijd allemaal tegelijk met bewustzijn aanwezig te zijn. Anders gezegd, het hoeven niet allemaal inherente eigenschappen van bewustzijn te zijn. Er is op dit punt wel een onderscheid tussen de meer 'passieve' en de meer 'actieve' unieke kenmerken. Het is moeilijk voorstelbaar dat bewustzijn kan bestaan zonder de eerstgenoemde unieke kenmerken, die vooral te maken hebben met de perceptuele, ervarende, meer 'passieve' kant van bewuste beleving (II.1). Maar de kenmerken aan de meer 'actieve' kant, zoals van bewuste taxatie, voorkeur, keuzevorming, wilsbesluiten en zelfsturing (II.2), lijken minder 'standaard' en veel meer 'optioneel' aanwezig te zijn. De relatie lijkt dus losser te worden vanaf het niveau waar de meer 'passieve' elementen zoals subjectieve gewaarwordingen en betekenisaspecten worden aangevuld met meer 'actieve' zaken als voorkeurswaarde en aspecten van vrije wil.
      We kunnen in ieder geval een meest gemeenschappelijke factor (most general unifier) in de 'passieve' unieke kenmerken vinden die tegelijk inherent is:
      (a)

      Bewust besef.


      Een bewuste bemerking van iets hebben (op grond van verschil), de notie 'er is iets'.

      Zie vervolg