Methode Taalkundig-Psychologische Taal-Analyse (TPTA) ©:


1986 - 1989: Studie psychologie; afstudeerproject.



Inleiding



In het kader van mijn studie psychologie heb ik van 1986 tot 1989 meegewerkt aan het onderzoek naar de Interactieve Test voor Rationaliteit (I.T.R.) onder leiding van mevrouw dr. Gemma Engels aan de Rijksuniversiteit Leiden.
De genoemde I.T.R. is een meetinstrument naar 'rationaliteit', dat een centraal begrip is in de Rationeel Emotieve Therapie (R.E.T.), een vorm van cognitieve psychotherapie. De I.T.R. maakt gebruik van open vragen waarvan de antwoorden - c.q. responseteksten - gescoord dienen te worden op kenmerken van zogenaamd 'irrationeel denken', volgens de methode voor Rationele Zelf-analyse (R.Z.A.) van de R.E.T..
Een probleem bij het gebruik van deze test was dat de scoring met allerlei beslissingsproblemen gepaard ging, waarbij persoonlijke schattingen, vermoedens en intu´ties vaak de doorslag moesten geven, zodat de resultaten weinig betrouwbaar leken. Deze problemen hadden duidelijk te maken met het interpreteren en beoordelen van verbale uitlatingen van mensen.
Het onderwerp 'taalgebruik en rationaliteit' vormde dan ook mijn afstudeeronderwerp. Het onderzoek was zowel theoretisch als empirisch van aard.

I. Samenvatting afstudeeronderzoek (1986-1989):

Theoretisch onderdeel.



1. Theoretische grondslagen.



In mijn manuscript heb ik een aanzet willen geven tot een theoretische verantwoording van het verband tussen taalgebruik en vormen of kenmerken van verwarrende of misleidende informatie. Deze theoretische basis is opgebouwd aan de hand van overwegingen en bevindingen uit verschillende relevante wetenschapsgebieden.

Theoretisch materiaal werd bestudeerd en geordend uit literatuur over Rationeel-Emotieve Therapie (R.E.T.), Algemene Taalwetenschap (A.T.W.), taalfilosofie, Algemene semantiek (G.S.), Neuro-Lingu´stisch Programmeren (N.L.P.), pragmatische communicatietheorie ('Palo Alto-school', Watzlawick, etc.), formele logica, argumentatietheorie en computerlingu´stiek.

Uit deze studie komen de volgende kernpunten naar voren:

(a)

Er zijn aspecten van taalgebruik in criteria van '(Ir)Rationaliteit'.



Binnen de Rationeel Emotieve Therapie blijken specifieke theoretische uitgangspunten te bestaan met betrekking tot de relatie tussen taalgebruik en vormen van 'irrationaliteit' (dat wil zeggen zgn. 'zelf-saboterend', 'ziek-makend' of 'gestoord' denken). Deze uitgangspunten zijn onder meer gebaseerd op de 'General Semantics' (G.S.) van Alfred Korzybski en anderen. (zie: Van der Velde, 1988: H.6, p.58-62).

(b)

Er is een voorbeeld van taalkundig-psychologische benadering.



Er bestaat een voorbeeld van een model met betrekking tot de toepassing van taalkundige kennis in het kader van psychotherapie, genaamd 'Metamodel-I'. Dit model is ontwikkeld door R. Bandler & J. Grinder (zie o.m. Bandler & Grinder, 1975/ 1977), en maakt deel uit van het communicatiemodel 'Neuro-Linguistic Programming' (kortweg N.L.P.) (zie o.m. Dilts, Grinder, Bandler, Cameron & DeLozier, 1979).
Het Metamodel-I is enerzijds gebaseerd op het werk van Alfred Korzybski op het gebied van 'Algemene Semantiek' - waardoor het indirect raakvlakken heeft met de R.E.T. - en anderzijds op de moderne Algemene Taalwetenschap (zie o.m. N. Chomsky, 1957; 1965).

Het Metamodel-I biedt een verzameling kenmerken van taalgebruik, zgn. 'welgevormdheids-schendingen', of distincties voor 'onwelgevormdheid-in-de-therapie'. Deze kunnen volgens het model duiden op probleemgebieden in het psychisch functioneren van mensen. Volgens N.L.P. betreft het om 'zuiver' formele variabelen: universeel, expliciet en inhoudsvrij (zie o.m. Bandler & Grinder, 1975). Daarom zijn ze in het kader van dit onderzoek gebruikt als voorbeelden van enigszins geformaliseerde criteria voor de beoordeling van taaluitingen op psychologische aspecten, implicaties en effecten - met name op vormen van verwarrende of misleidende informatie.

Aan dit model werden ook belangrijke theoretische overwegingen ontleend met betrekking tot het verband tussen menselijk taalgebruik en psychische processen. (zie: Van der Velde, 1988: H.7, p.63-84).

2. Conclusies uit het theoretisch onderzoek:



2.1. Betrouwbaarheid door formalisering en standaardisatie



De betrouwbaarheid van de scoring bij de Interactieve Test voor Rationaliteit, versie Mercx (1988), dient gecontroleerd en verbeterd te kunnen worden op twee punten:

(a)

De objectiviteit van de inhoudelijke interpretatie van taaluitingen.


Dit vanuit de veronderstelling dat taaluitingen een 'externe' afspiegeling vormen van een bedoelde betekenis c.q. van een achterliggend denkproces van de spreker of schrijver.
Hier is de vraag in hoeverre zulke taaluitingen voldoende objectief en betrouwbaar zijn als aanwijzingen van bepaalde cognitieve inhouden. De taaluitingen dienen daarvoor 'gedecodeerd' te worden.

(b)

De standaardisatie van de inhoudelijke beoordeling van taaluitingen.


Hierbij gaat het om de analyse en beoordeling van de inhoudelijke betekenis van taaluitingen, op eventuele kenmerken van (ir-)rationaliteit. Dit betreft de afgeleide c.q. toegekende betekenis van de taaluitingen, die al dan niet verband houdt met de bedoelde betekenis aan de kant van de spreker.
De vraag is hier in hoeverre betekenissen en denkbeelden op een objectieve en valide manier kunnen worden geordend en beoordeeld op inhoudelijke kenmerken.

De benodigde verbeteringen kunnen op de volgende punten worden doorgevoerd.

ad a)

De objectiviteit van de inhoudelijke interpretatie.


Deze kan worden verhoogd door de interpretatie van de taaluitingen van de respondent in termen van achterliggende psychische inhouden - percepties, cognities, evaluaties, affecten - beter controleerbaar te maken. Dat vraagt om beter navolgbare, dus meer eenduidige, dat wil zeggen empirische en/of formele richtlijnen.

ad b)

De standaardisatie van de scorings-beslissingen.


Deze kan worden verhoogd door een hogere overeenstemming tussen de structuur van (1) enerzijds incidentele toegekende betekenissen, en (2) anderzijds gestandaardiseerde scorings-criteria. Beide dienen daarvoor meer eenduidig, dus empirisch en/of formeel, te kunnen worden gerepresenteerd (c.q. gecodeerd), voordat aan de observationele taaleenheden scoringscodes worden toegekend.

2.2. Het nut van taalkundige structuuranalyse



In diverse vakgebieden en systemen zijn formele en semi-formele regels en kenmerken bekend ten behoeve van een structuuranalyse van taaluitingen, met name in Algemene Taalwetenschap (ATW), General Semantics (GS), Neuro-lingu´stisch Programmeren (NLP), en Cognitieve Therapie, c.q. Rationeel-Emotieve Therapie (RET).
Het gebruik van zulke (pseudo)formele regels en kenmerken lijkt theoretisch zinvol voor verbetering van de betrouwbaarheid van het scoren op rationaliteit; en wel voor twee doeleinden:

ad a)

Inhoudsvrije interpretatie:


Een eenduidige en systematische regulering en bewaking van de inhoudelijke interpretatie. Dit door middel van twee bewerkingen:
(1) systematische reconstructie van de achterliggende taalkundige, logische en psychologische structuur; en
(2) systematische toetsing van deze structuren aan (semi)formele criteria voor taalkundige 'normaliteit' van die structuren.

ad b)

Inhoudsvrije beoordeling:


Een beoordeling van de taaluitingen op de mate van (ir-)rationaliteit van hun inhoud, aan de hand van diverse taalkundige kenmerken. Dit door systematische toetsing van de logische en semantische structuur aan formele criteria voor 'geldigheid' van die structuren.

2.3. Theoretische overlappingen



De overeenkomsten en verschillen werden bestudeerd tussen theorieŰn, modellen en toepassingsgebieden van resp. de R.E.T., de G.S., en N.L.P. c.q. het Metamodel-I; toegespitst op taalkundig- psychologische aspecten. Daarbij wordt een theoretisch antwoord gezocht op de vraag: "Bestaat er een verband tussen enerzijds het concept '(On)Welgevormdheid-in-de-Therapie' volgens het Metamodel-I van N.L.P., en anderzijds het concept '(Ir-)Rationaliteit' volgens de R.E.T.?"

Er blijken diverse conceptuele overlappingen te bestaan tussen zowel de theoretische noties als de gehanteerde criteria, afkomstig uit G.S., N.L.P. en R.E.T.. Hierdoor is het aannemelijk dat de gebruikte semi-formele criteria die taalkundig en logisch gericht zijn, behalve behoorlijk betrouwbaar ook redelijk valide zijn.

Vervolgens zal empirisch onderzoek moeten uitwijzen of het gebruik van taalkundige criteria voor een R.E.T.-toepassing gerechtvaardigd kan zijn. (zie: Van der Velde, 1988: H.8, p.85-90).

2.4. Beperkingen aan formalisering van taalanalyse



In het onderzoek werd zowel langs theoretische als empirische weg duidelijk dat een volledige formalisering van de procedure van psychologische taalanalyse in principe niet haalbaar is.
Wat wel haalbaar is, en ook nuttig, is een toetsing op (semi)formele criteria voor randvoorwaarden van structuurkenmerken van 'rationeel taalgebruik'.
Zo'n falsificatie-toetsing komt overeen met de principes van de tegenwoordige wetenschapsfilosofie (epistemologie), maar ook met de opzet van de Rationaliteitstest, waarin het positieve concept 'Rationaliteit' wordt gescoord op grond van kenmerken van het tegendeel, nl. 'Irrationeel denken'.

C.P. van der Velde, februari 1989.

Zie ook:
(Van der Velde, C.P., 1988):
Rationaliteit en Taalgebruik: Een onderzoek naar taalkundig-psychologische scoringscriteria voor een rationaliteitstest.
Doctoraalscriptie. Leiden: Klinische en gezondheidspsychologie, Rijksuniversiteit Leiden. Dec. 1988. Pp. 1-97, bijlagen 99-122, Lit.opg. 123-131. (Docenten: Gemma I. Engels, Ben J.M. Moritz).


Zie verder ..