Methode Taalkundig-Psychologische Taal-Analyse (TPTA) ©:


III. Samenvatting voortgezet onderzoek (1989-1993): Empirisch onderdeel .



Inleiding


Na mijn doctoraalstudie psychologie heb ik het onderzoeksproject taalkundig-psychologische taalanalyse zelfstandig voortgezet.

Dit meer omvattende onderzoek was erop gericht om zowel het theoretisch raamwerk als de methodiek voor scoring van taaluitingen toepasbaar te maken voor andere gebieden binnen en buiten de psychologie: dat wil zeggen vrijwel overal waar mensen taal gebruiken.

Doel was de ontwikkeling van een betrouwbaar instrument voor de analyse en beoordeling van taaluitingen op helderheid, zinnigheid en geldigheid van de weergegeven informatie. Onderzocht werd welke kenmerken van taaluitingen en redeneringen kunnen wijzen op verwarrende of misleidende informatie.

1. Uitbreiding van de steekproef.



De steekproef van het afstudeeronderzoek, dat bestond uit 20 proefpersonen, werd aangevuld met nog eens 31 cliŽnten psychotherapie. Hiermee werd een totaal van 51 response-teksten verkregen, ontleend aan evenveel protocollen van Rationaliteitstests (d.w.z. Rationele Zelf Analyses, volgens het zgn. A.B.C.-schema), afgenomen bij cliŽnten in R.E.T.- psychotherapie. Het tekst-corpus werd op deze wijze uitgebreid van 320 naar totaal 964 uitspraken (elementaire beweringen).

2. Uitbreiding van de scoringscriteria.



Daarnaast werd het aantal scoringscriteria c.q. variabelen uitgebreid. Ongeveer 500 mogelijk relevante kenmerken van taalgebruik en redeneerwijze werden samengebracht. Deze waren afkomstig uit vakgebieden zoals algemene taalkunde, formele taaltheorie, logica, argumentatietheorie, General Semantics (G.S.), Neuro-Linguistic Programming (N.L.P.) en Rational-Emotive Therapy (R.E.T.).

De variabelen bestonden uit twee hoofdgroepen:
a.

'Neutrale' of blockings-variabelen:


Dit zijn descriptieve kenmerken van morfologische, syntactische, semantische en logische structuur.
b.

'Scoringskenmerken':


Dit zijn meer evaluatieve kenmerken van psychologische, sociaal-psychologische en (politiek-) ideologische structuur.

Deze kenmerken werden onderzocht op mogelijk interessante onderlinge correlaties en afleidingsrelaties.

3. Onderzoeksuitkomsten:



3.1. Reductie.



Teneinde reductie te verkrijgen van het aantal variabelen, werd cluster-analyse uitgevoerd (via factor-analyse op basis van de hoogste correlaties).

Conclusies:


1. De scoringskenmerken in psychologische taalanalyse - zowel de beschrijvende als de evaluatieve - laten zich per analyse-eenheid (elementaire bewering) indelen naar hun semantische structuur.
2. Hierbij blijkt dat de richting van het hoofdwerkwoord (predicaat) sterk bepalend is voor de voorselectie van criteria die toepasbaar zijn op de betreffende taaluiting.
3. Op basis hiervan kan het analyse- en scoringsproces, via uitsluitingsregels, sterk worden vereenvoudigd.

Resultaten:


Een aantal samenvoegingen maar ook splitsingen van variabelen bleken nodig.
Na herstructurering resteerden 54 variabelen.
Deze blijken te verdelen in twee hoofdcategorieŽn:

(1) De meer 'formele' kenmerken - die het meest eenduidig, dus betrouwbaar zijn gebleken - clusteren rond de 'begrijpelijkheid' van de zogezegd 'uiterlijke' formulering van de uitspraak; terwijl
(2) De meer 'inhoudelijke' kenmerken - die het meest relevant, dus valide zijn gebleken - clusteren rond de 'aannemelijkheid' van de meer ' inhoudelijke' gegeven voorstelling van zaken die de bewering weerspiegelt.

3.2. Tekst als argumentatie.



Van elke response-tekst werd eerst een reconstructie gemaakt van de betekenis-relaties en redeneerwijze (de semantische en logische structuur).

Resultaten:


Uit deze reconstructies bleek dat elke tekst op het betekenis- en redeneer-niveau de opbouw had van een logische afleiding. Steeds werd vanuit premisse(n), via tussen-conclusie(s), geredeneerd naar een eindconclusie(s).

Dit zou een aanwijzing kunnen zijn van een meer algemeen principe: dat vrijwel elke tekst impliciet of expliciet een betoog vormt - waarmee mensen zichzelf of anderen van iets willen overtuigen.
In dat geval bieden regels voor logische analyse de meest beslissende criteria voor de beoordeling van de 'redelijkheid' van taaluitingen c.q. gedachtenverbalisaties.

3.3. Afleidingsregels.



Vervolgens werd onderzocht welke afleidingsrelaties tussen de kenmerken golden. Als hulp- of blockings-variabelen werden 68 'neutrale' kenmerken van syntactische, semantische en logische structuur toegevoegd.

Resultaten:

(1) Regressie-analyse leverde een groot aantal implicatieregels op (ca. 1500) met betrekking tot de relaties tussen de kenmerken. Hiermee wordt het mogelijk om een complex netwerk van productieregels op te stellen voor het afleiden van inhoudelijke kenmerken uit vormkenmerken.
(2) Daarnaast bleken de variabelen te rangschikken naar hun abstractieniveau (of: afleidbaarheid) - opklimmend van
(a) laag-abstract, ofwel meer formeel (derhalve: meer betrouwbaar), naar
(b) hoog-abstract, ofwel meer inhoudelijk (derhalve: meer valide).
(3) Vervolgens bleken inhoudelijke kenmerken vaak statistisch afhankelijk van formele kenmerken.

3.4. Handleiding.



Op basis van de onderzoeksbevindingen kon een systematische, stap-voor-stap handleiding worden samengesteld voor de analyse en beoordeling van taaluitingen op hun informatiegehalte.

(C.P. van der Velde, juli 1992).


Zie verder ..