Methode 'Praktische Logica':

 

Modelvorming



Paradoxen van het Postmodernisme



C.P. van der Velde, juni 2017.


1.

De opkomst van het postmodernisme in kort bestek.



Het postmodernisme heeft zich in een aantal golven verspreid, aanvankelijk onder kunstenaars en (links) intellectuelen, vervolgens onder jongeren, daarna onder media, managers, bestuurders en politici, en uiteindelijk wereldwijd.
(·) Na de opzienbarende ontdekkingen in wetenschap en technologie aan het begin van de twintigste eeuw groeide het besef van de relativiteit en feilbaarheid van menselijke kennis en informatie.
(·) Na de twee grote wereldoorlogen in de eerste helft van de twintigste eeuw rees de verdenking tegen kennis, technologie, maar ook sociale en kerkelijke structuren van autoriteit, hiŽrarchie, elitarisme en paternalisme. (·) In de democratiseringsgolf van de zestiger jaren groeide dit uit tot een brede beweging, eerst vooral onder jongeren maar wat later onder brede lagen van de westerse bevolking. Zij stelden de egalisering van de maatschappelijke relaties voorop, en pleitten voor emancipatie van de massa's, democratisering en socialisering van instituties, demilitarisering en pacificering.
(·) De alternatieve uitingsvormen van de hippies werden van meet af aan achtervolgd door industrie en kapitaal, die ze razendsnel vertaalden in commercieel lucratieve consumptiegoederen. In de zeventiger jaren werd duidelijk dat de beweging van de sixties steeds meer werd 'geamoebiseerd' door de commercie, waaraan het moeilijk ontsnappen was. De hippie raakten versnipperd in talrijke subculturen en bijbehorende imago's en identiteiten. Vanaf het midden van de zeventiger jaren is de economische motor van de hoogconjunctuur flink gaan haperen. Er werd een steeds krachtiger ideologisch tegenoffensief gevoerd vanuit politiek rechts. Steeds meer vraagtekens werden gezet bij de softe ideeŽn en idealen van de sixties. Het politieke ongenoegen groeide over de economische gevolgen van sociale en culturele voorzieningen, zorg voor milieu, enz.. Voorheen 'hippe' babyboomers raakten gedesillusioneerd, en kozen voor een keurig burgerlijk bestaan. De volgende generatie jongeren koos voor volstrekt andere, 'hardere' stijlen van kleding en muziek, zoals disco en punk.
(·) Rond 1980 vond een ware 'ruk naar rechts' plaats, een ander paradigma won het pleit in de politiek: het economisme. De politiek zou in de volgende decennia financieel belang over het algemeen boven alle andere normen en waarden stellen.
Politieke leiders in het westen, met name Reagan en Thatcher, namen drastische maatregelen om de politieke sturing over de kapitaalmarkten helemaal los te laten, door dereguleren, liberaliseren, privatiseren, ruim baan geven voor ondernemerschap, commercie, consumptie, reclame, PR en image building.
(·) Na de val van de Berlijnse muur november 1989, werd in het westen het ťchec uitgeroepen van het communisme, en breder, alle socialistische idealen en ideologieŽn, met name die van solidariteit en gelijkheid. Er onstond al snel een consensus tussen politieke polen van rechts liberaal tot links sociaal-democratisch, dat elk idee van een 'maakbare samenleving' op illusie berust, en alleen de neo-liberale ideologie van ' de vrije markt' een neutrale, onpartijdige, en betrouwbare leidraad bood, die uiteindelijk door de vermeende intrinsieke, volautonomatische, onvermijdelijke en onverslaanbare marktmechanismen van vraag en aanbod wereldwijd tot de ideale balans zou leiden: terechte beloning, eerlijke verdeling, en sociale rechtvaardigheid. Dit betekende ook een synthese van het rechts liberaal opportunistisch ultra-simplisme en het links intellectueel would be idealistisch absoluut relativisme, samengesmolten tot een nieuw paradigma, dat van extreem materialisme, subjectivisme, en hedonistime, massaal, ongebreideld consumentisme als motor achter de economische groei.
Begin negentiger jaren vond de wereldwijde triomf van postmoderne scepsis, nihilisme en cynisme zijn beslag.
(·) Niettemin bleven de ontwikkelingen in wetenschap en techniek in die jaren nog steeds onverminderd met exponentieel toenemende snelheid plaatsvinden: zoals de opmars van de informatietechnologie, de groei van de massamedia, en onstuitbare digitalisering, de opkomst van het internet, met alle bijbehorende communicatiemiddelen en 'nieuwe media' in talrijke hybride varianten zoals e-mail, mobiele telefonie en berichtuitwisseling (SMS, Whatsapp), internet-telefonie (GSM), chat (tekst, audio en/of video) en sociale media zoals weblogs, web fora, sociale netwerken (zoals Facebook, LlinkedIn, MySpace, YouTube, Twitter, Google+, enz.). Hierdoor is de toegankelijkheid, verspreiding en 'democratisering' van grote hoeveelheden informatie in rap tempo geglobaliseerd. Door de overheersende invloed van gevoel, emotie, narcisme en ego-profilering, in plaats van feiten en logica, had dit al gauw als paradoxaal effect dat de informatie inhoudelijk volledig kneedbaar, draaibaar en 'vloeibaar' (fluÔde) is geworden.

2.

Postmoderne scepsis.



Hieronder laten we een aantal belangrijke opvattingen in het postmodernisme de revue passeren.

(1)

'Waarheid' - is nooit mťťr dan een constructie.


Duidelijk is geworden dat alle kennis op de eerste plaats een constructie is van ons denkproces, kenvermogen, en zenuwstelsel. Op basis hiervan ontstond de visie dat kennis altijd uitsluitend een constructie is: het constructivisme.
"Waarheid is een aantrekkelijke constructie - meer niet." (Heleen Pott, NRC 1-4-2006).

(2)

Kenbaar is alleen perceptie.


Hetzelfde principe kan ook radicaler worden geformuleerd: elke betekenis, waardering of beleving is allereerst in the eye of the beholder. Dit geldt voor alle voorwerpen, verschijnselen of gegevens - zolang er althans geen directe en dwingende fysieke inwerking plaatsvindt.
"Alle kennis is niets anders dan perceptie." zo stelde de filosoof Theaetetus al in de oudheid (volgens Plato, Theaetetus 151-183).

(3)

'Waarheid' - is (altijd) uitsluitend subjectief.


Uit deze opvattingen volgt het principe dat het begrip 'waarheid' nooit meer kan behelzen dan een feilbare, puur (inter)subjectieve overtuiging. Ze is daarbij volledig context-gebonden, afhankelijk van allerlei toevallige factoren: tijd, historie, persoon, situatie, enz.. We horen dit uitgangspunt terug in modieuze, postmodern-ingegeven uitspraken zoals 'Voor ieder bestaat een eigen waarheid', 'Iedereen heeft zijn eigen waarheid', 'Iedereen creŽert zijn eigen waarheid', e.d..

(4)

Objectiviteit is onhaalbaar.


De begrippen objectiviteit en subjectiviteit zijn onderscheiden maar vormen niet per implicatie een polair paar. Als er echter allťťn subjectiviteit is, dan is alle objectiviteit onmogelijk. 'Objectiviteit bestaat niet' is dan ook het parool geworden in met name de sociale wetenschappen.

(5)

Onoverbrugbare kloof.


De zo geheten 'reality appearance distinction' vormt daarmee een wezenlijke kloof tussen de (vermeende) 'externe' realiteit en onze innerlijke (bewuste) perceptie, die volgens sommigen van absolute, definitieve, onoverkomelijke aard is.
"The truth of a theory is in your mind, not in your eyes." (Albert Einstein, geciteerd in: H. Eves, 'Mathematical Circles Squared'. Boston: Prindle, Weber and Schmidt, 1972).
"Wat kenbaar is, is de wisselwerking tussen waarnemer en het waargenomene, en nooit de onafhankelijke eigenschappen van het waargenomene op zich." (Walsh, R.N., 1979, p.180).

(6)

Alles is even waar.


Een consequentie van het voorgaande is de opvatting dat geen enkele opvatting of uitspraak beter de realiteit weergeeft dan een andere. Met andere woorden: ' Geen uitspraak is meer waar dan een andere'.
In de Oudheid kwamen denkers en geestelijk leiders al tot aanzienlijke scepsis over de mogelijkheden van objectieve kennis. Zo leidde Protagoras af dat, als de wind koud voelt voor de ťťn maar warm voor de ander, terwijl alle kennis enkel perceptie is, beiden gelijk hebben. Daarop baseerde hij het principe "Het individu is maat van alle dingen."
{

Kanttekeningen.

Plato (ca. 425-348 BC) wees daarbij al op een paradox, via de weerleggingstactiek peritrope ('turning the table'): Als Protagoras erkent dat anderen het niet met hem eens zijn, dan erkent hij dat meningsverschil kan bestaan, dus spreekt hij zijn eigen standpunt tegen; zo niet, dan erkent hij dat hij het met die anderen eens is, en spreekt hij zichzelf eveneens tegen (Plato, Theaetetus 169-171e).
Eeuwen later namen filosofen van de Renaissance en de Verlichting deze kritiek over.
"Truth is its own standard" (Baruch Spinoza, contra Protagoras) }.
Rond 1900 keerden postmoderne denkers echter terug naar het standpunt van radicale scepsis.
"No description or interpretation is closer to reality then any other; some of them are more useful for some purposes then others, but that's about all you can say. Nietzsche and perspectivism, which says you can't rise above interpretations and get to facts, or dig down below interpretations and get to facts, is substantially the same thing as I meant before when I said that pragmatists try to get rid of the reality appearance distinction." (Richard Rorty, speaking about truth and pragmatism, taken from 'Of Beauty and Consolation' (Part 23), Wim Kayzer, Dutch TV, VPRO 2000. Richard Rorty, 'The end of inquiry', interview).
{

Kanttekeningen.

Er wordt hier uit eerdergenoemde aannames een logisch valide conclusie getrokken, maar die leidt vervolgens zelf tot diverse merkwaardige consequenties.
(a)

Uitholling van het waarheidsbegrip.


De eerste implicatie is, zolang we althans het waarheidsbegrip nog enige zinnige betekenis toekennen, de stelling A: ' Elke uitspraak is even (on)waar als elke andere'. Vervolgens zijn er twee mogelijkheden: A1 : 'Elke uitspraak is waar', c.q. 'Alles is waar', en/of A2: 'Geen uitspraak is waar'; c.q. 'Niets is waar'. Deze mogelijkheden zijn uiteraard onderling strijdig, zodat de stelling een paradox impliceert. Ze valt als het ware 'in haar eigen zwaard'.
Beide mogelijkheden hebben bovendien betrekking op de verzameling van alle uitspraken van oneindige omvang die alle tegelijk waar respectievelijk onwaar zijn, maar soms onderling strijdig zijn, waardoor ze ook afzonderlijk tot paradoxen leiden.
In alle gevallen moeten we alsnog concluderen dat het waarheidsbegrip volstrekt betekenisloos wordt. Maar dat betekent dat de stelling circulair is, zichzelf bevestigend.
(b)

Paradox door zelf-reflexiviteit.


De tweede implicatie van de uitspraak is uiteraard dat zij ook op zichzelf van toepassing is, zodat zij zŤlf net zo veel waard is - dat wil zeggen, net zo (on)waar - als elke andere.
Vanwege deze zelf-reflexiviteit volgt uit de stelling A: 'Geen uitspraak x is meer waar dan een andere', per substitutie de stelling A': 'De uitspraak A' dat geen uitspraak x meer waar is dan een andere, is niet meer waar dan een andere'.
Hieruit volgt een tweeledige consequentie: Als A (inderdaad) nŪet meer waar is dan een andere x, dan is haar waarheidswaarde in overeenstemming met haar inhoud. Maar dan is ze evenmin meer waar dan haar tegendeel, ¨A; en dus is het minstens zo waar dat ¨A het geval is, nl. dat een uitspraak x meer waar kan zijn dan een andere. in tegenspraak met de stelling. Als de stelling A (niettemin) wŤl meer waar is dan een andere uitspraak x, dan is haar waarheidswaarde niet in overeenstemming met haar inhoud - en spreekt ze zichzelf tegen.
In beide gevallen kunnen we dus met evenveel recht aannemen dat een uitspraak x wŤl meer waar kan zijn dan een andere uitspraak x', zoals A, waarmee de oorspronkelijke aanname weerlegd is.
De stelling valt daarmee in dezelfde logische categorie als de bekende klassieke Kretenzer paradox, naar de uitspraak van de filosoof Epimenides (ca. 600 v.C., Knossos, op Kreta), die luidde: "Kretenzers liegen altijd" - terwijl hij zelf een Kretenzer was. Een parafrase hiervan is de paradox van de leugenaar, die luidt: 'Ik lieg (altijd)', of anders gezegd: 'Wat ik zeg is onwaar', of nog preciezer: 'De zin die dit stelt is onwaar'. Deze zin heeft een tweeledige consequentie: Als de zin waar is dan volgt dat zij onwaar is, en als zij onwaar is dan volgt dat zij waar is. Beide takken blijken dus paradoxaal.
Een vergelijkbaar voorbeeld is de zin die Kurt GŲdel als tegenvoorbeeld gebruikte voor zijn bewijs van de Onvolledigheid (d.i. onvolledige logische bewijskracht) van consistente systemen in de elementaire rekenkunde. (Het Eerste Onvolledigheidstheorema of First Incompletenesstheorem - Kurt GŲdel, 1931, ‹ber formal unentscheidbare Sštze der Principia Mathematica und verwandter Systeme 1). De bekende - ware maar onbewijsbare - 'zin van GŲdel', die als 'fatale' uitzondering dient, luidt: 'Deze zin is niet bewijsbaar in dit systeem'. Ook deze zin heeft een tweeledige consequentie: Als de zin waar is dan volgt dat zij niet bewijsbaar is, dus niet als waar kan worden aangenomen, maar als zij onwaar is dan volgt dat zij bewijsbaar is, en dus als waar moet worden aangenomen. Beide consequenties zijn eveneens paradoxaal.
We zien dus dat conclusie die op zichzelf logisch valide tot stand komt, tot absurditeiten kan leiden doordat de premissen ondeugdelijk blijken. }.

(7)

Absoluut relativisme.


De aanname dat alle kennis en waarneming onvermijdelijk afhankelijk is van het perspectief van het subject, oftewel perspectivisme, impliceert uiteraard relativisme. In het postmodernisme wordt de relativiteit van kennis echter zodanig opgerekt dat deze - bemerk de paradox - een absolutistisch karakter krijgt: een totale gelijkschakeling van elke mogelijke uitspraak of opvatting over welk onderwerp ook. Reden waarom deze stroming valt te karakteriseren als 'absoluut relativisme' c.q. 'ultra-relativisme'.

(8)

'Waarheid' - is niet (nooit) beslisbaar.


Geen enkel oordeel is daardoor mogelijk - geen enkele uitspraak is zinvol - over het waarheidsgehalte van uitspraken (agnosticisme, oftewel epistemologisch nihilisme).
"Was ist also Wahrheit? Ein bewegliches Heer von Metaphern, Metonymien, Anthropomorphismen, kurz eine Summe von menschlichen Relationen, die, poetisch und rhetorisch gesteigert, Łbertragen, geschmŁckt wurden, und die nach langem Gebrauch einem Volke fest, canonisch und verbindlich dŁnken: die Wahrheiten sind Illusionen, von denen man vergessen hat, dass sie welche sind, Metaphern, die abgenutzt und sinnlich kraftlos geworden sind, MŁnzen, die ihr Bild verloren haben und nun als Metall, nicht mehr als MŁnzen, in Betracht kommen." (Friedrich W. Nietzsche, 1844-1900, '‹ber Wahrheit und LŁge im auŖermoralischen Sinn', 1873).

(9)

'Waarheid' - bestaat niet.


Als 'waarheid' uitsluitend subjectief is stijgt ze nooit uit boven puur toeval, en is elke vorm van objectiviteit in letterlijke zin niets meer dan fictie en illusie.
"Waarheid bestaat per definitie niet." (Ton Derksen, wetenschapsfilosoof, n.a.v. de Lucia de B. zaak; VPRO-Teleac).

(10)

Kennis is niet controleerbaar.


Deze visie impliceert dat ook op geen enkele betrouwbare manier enige relatie tussen onze denkbeelden en de algemene externe realiteit kan worden vastgesteld. We hebben immers niet de mogelijkheid om vanuit een volledig objectief gezichtspunt deze relatie te onderzoeken, te meten en te beoordelen.
Dit geldt dus ook voor een bepaalde vorm of mate van gelijkenis, overeenkomst, representatie of afspiegeling. Dit is in gelijke mate van toepassing in het positivisme, voor termen van correspondentie c.q. concordantie versus discrepantie; als in het structuralisme, voor begrippen zoals (a)symmetrie (in)congruentie, (in)compatibiliteit, enz.. Het geldt evenzeer voor meer bescheiden bedoelde alternatieven, zoals het begrip 'waarheidsgelijkenis' in het kritisch rationalisme van Popper, of het begrip '(in)commensurabiliteit' in het historicisme van Kuhn.
Het waarheidsgehalte
van kennis, hoe we dit ook definiŽren, is dan ook niet op haar betrouwbare en objectieve aard controleerbaar.
"There is no completely 'neutral' place from which to begin one's argumentation in [..] broad, all-inclusive philosophical matters." (PihlstrŲm 1996:16).
"Het is onmogelijk om uit ons eigen denkkader te stappen om vanaf een Archimedisch punt te bekijken of onze eigen beweringen de werkelijkheid goed beschrijven." (Menno Lievers, 'Is dit dan de waarheid?', 15-04-2006, NRC, p.41).

(11)

Afgesloten van de werkelijkheid.


We bestaan volgens deze redenering dus noodzakelijk binnen een persoons-gebonden, betekenis-houdende bewustzijnsruimte of 'semantische empirie' (C.P. van der Velde, 1986), ook genoemd 'Bubble of Perception' (D. Gordon, 1984).
We leven bovendien onontkoombaar binnen deze subjectieve beleving.
"We cannot climb out of our mind." (Richard Rorty, 1980).
{

Kanttekeningen.

Een kloof zoals door Rorty en anderen voorgesteld impliceert, indien als finaal opgevat, diverse paradoxen.
(a)

Zonder kennis is de realiteit niet kenbaar.


Zonder mogelijkheid van kennis zouden we niets kunnen weten van de realiteit. We zouden er geen notie van hebben, en sterker nog, we zouden niet kunnen nagaan Úf ze bestaat, buiten onze eigen denkwereld. Om die reden hebben allerlei denkers vanaf de vroege oudheid al betoogd, dat we even goed kunnen aannemen dat de gehele wereld buiten ons eigen denken nŪet bestaat.
In het licht van de dagelijkse ondervinding is deze aanname echter niet houdbaar.
(·) De buitenwereld verschijnt in onze directe, exogene zintuiglijke waarneming - zien, horen, tasten, ruiken, proeven - in een heel andere ordening dan de inhouden van onze endogene mentale inhouden, zoals gedachten (herinneringen, fantasieŽn, redeneringen) en gevoelens. Ze vertoont een heel andere, en veel hogere mate van continuÔteit, (regelmaat, constantie) en coherentie. Als we haar wetten, zoals de zwaartekracht, negeren, of ongewild tegenkomen, kunnen we ermee in botsing komen, op een hardhandige manier, door een val, of ander ongeluk; en dan kunnen de gevolgen ook heel voorspelbaar, onmiskenbaar en langdurig zijn.
"Het is onwaarachtig om de hypothese ernstig te nemen dat de wereld niet bestaat." [..] "De vraag moet zijn hoe aannemelijk een bepaald scenario is: totaal onwaarschijnlijk dus." [..] "De buitenwereld is ontzettend betrouwbaar. 's Avonds ga je slapen en als je de volgende dag weer wakker wordt, ligt ze er nog precies zo bij als de vorige dag. Dat is de robuustheid van de dingen om ons heen. Je treft de wereld niet op het ene moment zus aan en het andere moment zo. Er is sprake van continuÔteit en coherentie." [..] "Trouwens, ik verdenk de wereldloochenaars ervan dat ze er in het dagelijks leven net zo over denken." (Maarten Boudry, wetenschapsfilosoof te Gent, kritiseert het boek 'Waarom de wereld niet bestaat' van filosoof Markus Gabriel; geciteerd door Sebastien Valkenberg, 'De wereld bestaat gewoon', 25-06-2015, Trouw).
(b)

Onderscheid wordt scheiding.


Als we uitgaan van het bestaan van een realiteit buiten het subject (realisme), en tegelijk aannemen dat we deze op geen enkele manier enigszins objectief kunnen kennen, dan volgt allereerst een vorm van dualisme: de aanname van een onherleidbaar verschil tussen subject en werkelijkheid.
(·) Dit is een Cartesiaans schema dat in de Westerse wetenschapsfilosofie, en zeker in het postmodernisme, algemeen als achterhaald wordt beschouwd.
Het staat haaks op het gangbare monisme, waarbij uitgegaan wordt van een continuŁm tussen deelgebieden in ťťn en hetzelfde (fysische) domein, die traditioneel als 'materieel' en 'immaterieel' worden beschouwd. Hierin kan enkel sprake zijn van een onderscheid, en zeker geen dichotome scheiding, tussen respectievelijk extern milieu c.q. omgeving, en het fysieke lichaam van een organisme; en vervolgens binnen intern milieu tussen algemene somatische organen, systemen, weefsels, cellen en vloeistoffen; waaronder het zenuwstelsel; binnen het zenuwstelsel tussen perifeer en centraal zenuwstelsel; en binnen centraal zenuwstelsel tussen algemene neurofysiologische inhouden en processen en psychische inhouden en processen, waaronder die van cognitieve aard, met name informatieverwerking en oordeelsvorming, of wat we in het algemeen 'mind' noemen.
"Een van de eeuwige vloeken die op het denken rusten is de neiging, te scheiden van dingen die slechts onderscheiden zijn." (Reid, L.A., in: 'Philosophy and Education', 1965, p.82).
"In verwarring zijn over wat verschillend is en wat niet, is in verwarring zijn over alles." (David Bohm, 1983, p.16: Wholeness and the Implicate Order. New York: Routledge & Kegan Paul).
(c)

Zonder kennis van realiteit is er geen communicatie.


Als we geen kennis van de werkelijkheid zouden kunnen hebben met enige betrouwbaarheid en constantie, zou ook geen vorm van communicatie mogelijk zijn, in de zin van uitwisseling van informatie, ideeŽn, ervaringen en dergelijke.
(·) Allereerst zou de eerste vereiste voor communicatie, een vorm van taal, oftewel systematiek voor codering en decodering, onmogelijk zijn. Niemand zou enige kennis kunnen hebben van een taal, dat wil zeggen regels of gewoonten over relaties tussen tekens en betekenissen. Het zou dan onmogelijk zijn om Łberhaupt enige kennis of informatie weer te geven.
(·) Ook zou er tussen individuen nooit overeenstemming of consensus kunnen bestaan over de regels van de gebruikte taal, waardoor niemand een ander zou kunnen verstaan.
(·) Ten slotte zou niemand ooit een enkele clue te hebben van de buitenwereld, dus ook geen weet hebben van een ander, of diens tekengevingen. Elke deelnemer aan de ' communicatie' zou alleen zijn eigen, particuliere en volstrekt arbitraire 'interpretaties ' hebben, die in geen enkel zinvol verband zouden staan met gegevens in de buitenwereld of betekenissen die anderen toekennen.
(d)

Paradoxen van solipsisme.


De implicatie is dat wij allen opgesloten zouden zijn in onze eigen hoogst individuele bubble of perception, als in een isoleercel waaruit geen ontsnappen mogelijk is. Allen zijn wij dan altijd eenzame zielen in het universum, volkomen afgesloten van elkaar. Als we daarbij het bestaan van een realiteit buiten het subject afwijzen (idealisme), is sprake van een vorm van monisme. Hieruit volgen echter de wonderlijke paradoxen van het solipsisme.
(·) Als ieder van ons in gelijke mate altijd alleen en eenzaam in het universum verwijlt, terwijl buiten onze particuliere perceptie geen anderen bestaan, dan kan zeker niemand van ons kennisnemen van een ander's gedachten. Sterker, dan bestaan de enige gedachten die wij van anderen kunnen kennen uitsluitend binnen onze eigen perceptie: zijn dus onze eigen gedachten. Dan zijn wij allen dus volmaakte autisten.
(·) Als ieder van ons altijd de ťnige is die 100 procent alleen en eenzaam in het universum verwijlt, dan volgt daaruit per substitutie dat kennelijk geen twee mensen tegelijk 100 procent alleen zijn. Met andere woorden, dan is niemand van ons de enige, of alleen, of eenzaam, in het universum - een onmiskenbare contradictie met de uitgangsstelling.
(·) Als iemand van ons aanneemt dat hij of zij de ťnige is die altijd alleen en eenzaam in het universum verwijlt, dan zou dat een arbitraire uitverkiezing zijn van zichzelf, en uitsluiting van anderen als gelijkwaardige wezens, hetgeen hoogst ego-centrisch en arrogant zou zijn.
(·) Daarnaast valt het niet aan te nemen dat ieder van ons zo 'speciaal' zou zijn om het centrum te zijn van een eigen universum, waarin ieder ander niet meer dan een figurant, een pion, een (endogene) projectie, of een fantoom zou kunnen zijn. Dat zou nogal een inhumane, en eigenlijk anti-sociale zienswijze zijn.
Hieruit mag blijken dat solipsisme een tamelijk absurde voorstelling van zaken behelst die niet redelijk houdbaar is.
}

(12)

Kennis kan niet toenemen.


Zonder enige mogelijkheid van contact met de realiteit is er geen zinvol onderscheid te maken tussen waar of onwaar. Dan is de aanname dat een objectieve werkelijkheid bestaat (realisme) of niet (idealisme) voor ons oordeelsvermogen evenmin echt relevant. Derhalve ontstond de gedachte: misschien is de orde van het universum op geen enkele enigszins logische manier te begrijpen of te beredeneren met ons brein, laat staan dat ze is uit te drukken in taal. Dan kunnen we ook geen kennis opbouwen of verwerven.
'Groei' van kennis wordt dan ook niet mogelijk geacht, anders dan toename in variaties van denkbeelden, die uiteindelijk geheel toevallig zijn, zonder enige orde of samenhang. Er is dan ook geen ontwikkeling of vooruitgang mogelijk, althans ťťn waarin onderlinge onsamenhang. een opgaande lijn - of neerwaartse, of andere lijn - valt te bespeuren of te bereiken.
"Geen enkele ideologie is in staat geweest de honger, het onrecht, de ellende en de verveling uit de wereld te bannen.[..] Het is een illusie te denken dat er in de geschiedenis vooruitgang zou bestaan. Veel problemen zijn inherent aan het menselijk bestaan. De beste oplossing bestaat niet, maar is afhankelijk van de situatie en de mensen die daarin opereren." (Marli Huijer, 'Pluriforme samenleving vraagt om politiek van kleine verhalen', in: de Volkskrant, 9 januari 1993, p.18).

Hierop volgde de gedachte dat de methode om kennis te vergaren ook niet valt te verbeteren. Het is, met andere woorden, al een uitgemaakte zaak dat niemand ooit inzichten zal opdoen waarmee de benodigde, drastische aanpassing ten goede van ons kennis bestel kan worden doorgevoerd.
"We zijn als schepelingen die op volle zee hun schip moeten herstellen, zonder dat we het schip ooit in een dok kunnen leggen en het met de beste materialen opnieuw in elkaar kunnen zetten." (Otto Neurath, 1882-1945).
{

Kanttekeningen.

Een protagonist van deze zienswijze is bijvoorbeeld:
(·) Paul Karl Feyerabend (1924-1994): de culturele dominantie van de wetenschap zou ertoe leiden dat afwijkende beschouwingen, die vernieuwend en waardevol kunnen zijn, worden verketterd of gecensureerd, waardoor voortgang van de wetenschap wordt belemmerd. Er moet daarom onbelemmerde keuzevrijheid van opvattingen, een pluralistisch denkklimaat, en een anarchistische methodologie: 'Anything goes'.
( Paul Karl Feyerabend (1924-1994), 'Against Method: Outline of an Anarchistic Theory of Knowledge'. New Left Books, Londen 1975; Londen, 1978; Ned. vert. 'Tegen de methode', 2008, uitg. Lemniscaat, Rotterdam).
}

(13)

Feiten zijn ficties.


Nog een stap verder gaat de opvatting dat er helemaal geen feiten bestaan, alleen maar opvattingen en uitspraken, gebaseerd op interpretaties die uiteindelijk volkomen subjectief en arbitrair zijn. Elk 'feit' is slechts een mening.
Met andere woorden, de gehele werkelijkheid is het resultaat van een 'creatief proces' van het individu. Het komt voort uit persoonlijke keuzes, is dus altijd geheel voor eigen verantwoordelijkheid. Deze visie horen we onder meer terug in uitspraken vanuit het New Age gedachtegoed, zoals ' Iedereen creŽert zijn eigen werkelijkheid', 'Iedereen heeft zijn eigen werkelijkheid,' e.d..
"Gegen den Positivismus, welcher bei dem Phšnomen stehen bleibt 'es giebt nur Thatsachen,' wŁrde ich sagen: nein, gerade Thatsachen giebt es nicht, nur Interpretationen." (Friedrich W. Nietzsche, 1844-1900, 'Nachlass, Sommer 1886 - Herbst 1887', KSA 12: 7[60]).
"De ware toedracht is een fictie." (Benedict Ficq, advocaat, NTR, 1-12-2010).
{

Kanttekeningen.

Een exponent van deze denkwijze:
(·) Hans Vaihinger (1852-1933): was een pleitbezorger van het fictionalisme. Hij betoogde dat waarheid en kennis louter instrumentele waarde hebben, en dat elke opvatting of bewering slechts nut hebben zolang iemand er in gelooft - of althans, doet alsof hij of zij er in gelooft. (Hans Vaihinger (1852-1933), 'Die Philosophie des Als ob', 1911. Ned. vert. 'De filosofie van het alsof', John van der Stokker. IJzer; 438 pagina's).
}

Feiten zijn onbruikbaar als bewijs.


Feitelijke waarnemingen zijn volgens het postmodernisme dus even futiel als welke andere gegevens ook, en dus net zo min relevant om iets te weten te komen over 'de' werkelijkheid (of iets dat daarvoor doorgaat in de 'naÔeve' oordeelsvorming. Dit betekent dat waarnemingsgegevens ook niet kunnen dienen om stellingen van het postmodernisme te toetsen.
{

Kanttekeningen.

Het uitsluiten van feiten c.q. waarnemingsgegevens als bruikbare gronden voor de toetsing van kennis, heeft nogal vergaande consequenties.
(a)

Immuniseren tegen kritiek.


Op deze manier verklaart het postmodernisme zichzelf per definitie gesloten voor elke contra-indicatie, waardoor het zichzelf immuniseert tegen kritiek, en niet- falsifieerbaar maakt, waardoor het circulair en self-fulfilling wordt. Het lijkt met andere woorden sterk op een retorische truc om niet vatbaar te hoeven zijn voor kritiek op eigen denkfouten.
(b)

Selectief uitsluiten of toelaten van gegevens.


Het is in dit licht opmerkelijk dat in postmoderne betogen veelvuldig voorbeelden ter onderbouwing worden aangevoerd, waarin wel degelijk, en vaak uitvoerig, wordt verwezen naar (vermeende) empirische feiten.
{

Kanttekeningen.

Bijvoorbeeld, Derrida met zijn 'deconstructie' van het begrip 'stoel'. Hiermee bewijst hij echter niet dat taal onbruikbaar is voor wederzijds begrijpelijke communicatie, maar alleen dat woorden niet de dingen zijn waarnaar ze verwijzen (zie Alfred Korzyski), maar slechts ' richtingwijzers' naar betekenis. Dat was echter al lang en breed erkend.
Een ander voorbeeld is de postmoderne anekdote van de twee stammen die tegenover elkaar leefden aan de oevers van dezelfde rivier, terwijl ze - naar verluid althans - een omgekeerd besef hadden van de seizoenen. Merk op dat hierbij, in strijd met het betoog, aardig wat feiten - stammen, oevers, rivier, seizoenen, enz. - voor waar worden aangenomen.
Maar stel nu dat zo'n situatie inderdaad realiteit is, was of kan zijn. Dan kan dat twee dingen betekenen: hetzij klimatologisch dat de seizoenen aan weerszijden van de rivier niet beduidend veel verschilden; hetzij taalkundig dat de beide stammen eenvoudig verschillende termen waren gaan gebruiken voor nagenoeg dezelfde weersomstandigheden, of omgekeerd: gelijkluidende termen voor beduidend verschillende weersomstandigheden. Het bewijst niet dat de beide stammen voortdurend hallucineerden over de seizoenen - en nog minder dat mensen in het algemeen altijd hallucineren als ze feiten voor waar nemen. }
Bij nadere beschouwing blijkt de scepsis ten aanzien van feiten vooral uit te komen op het selectief toelaten dan wel vermijden van verifieerbare ervaringskennis die voor de eigen theorie gunstig/ ondersteunend zijn, zo te noemen 'trofee-feiten', respectievelijk ongunstig/ ondermijnend zijn, zo te noemen 'taboe-feiten'. Deze systematische partijdige bias ondergaaft sterk de validiteit van het postmoderne gedachtengoed.
}

Feiten zijn eigenlijk theorie.


Een bekende stelling in het postmodernisme is: 'Feiten zijn theoriegeladen'. Dus niet: ' Sommige feiten zijn soms, in enige mate, in enig opzicht theoriegeladen'; wat evident het geval is, als we althans 'feiten' opvatten als zaken die we alleen binnen onze perceptie kunnen kennen. De strekkig is hier heel anders: alle feiten zijn altijd volledig in elk opzicht theoriegeladen.
{

Kanttekeningen.

(a)

Er bestaat een realiteit buiten theorie.


De eerste implicatie hiervan is, dat het begrip 'feit' radicaal een omgekeerde betekenis wordt gegeven dan in de gebruikelijke opvatting, als een toedracht die bestaat ongeacht iemands theorie of opvatting. Gewoonlijk wordt een feit als zodanig aangenomen zolang geen andere informatie voorhanden is, en het verandert in de perceptie zodra waarnemingen of ideeŽn erover veranderen. Hier wordt echter aangenomen dat feiten altijd een theorie vereisen, dus nooit buiten iemands perceptie bestaan. Met andere woorden, als er geen perceptie is, dan zijn er geen feiten in het universum - sterker, dan is er geen universum van tel.
Uit deze redenering volgt (wederom) solipisme, met alle bekende paradoxen dat dit met zich meebrengt (zie eerder). Het is dan ook geen houdbare visie.
(b)

Er zijn gebieden zonder kaart.


Een andere implicatie houdt in, in termen van de map-territory analogie: ' Elk gebied is - tenminste, enigszins - kaartgeladen'. Ook dit is niet houdbaar. Natuurlijk kunnen zich in een gebied - letterlijk - ťťn of meer kaarten bevinden, maar dit geldt zeker niet in zijn algemeenheid. En er zijn wel degelijk gebieden (feiten) te vinden - het overgrote deel van het universum, om maar wat te noemen - waarin zich gťťn kaart (theorie) bevindt.
(c)

Er zijn feiten buiten het organisme.


De derde implicatie is, als we tenminste aannemen dat theorieŽn alleen dankzij (menselijke) intelligente vermogens, kunnen bestaan: ' Alle feiten bestaan alleen binnen het menselijk brein'; of anders: ' Alle feiten bestaan alleen binnen het zenuwstelsel'; oftewel ' Alle feiten zijn zenuwstelsel-geladen'; resp. 'Alle feiten zijn levend-weefsel geladen'; resp. 'Alle feiten zijn biologisch geladen'. Dit kan alleen waar zijn als geen feiten bestaan los van levende organismen - wat duidelijk onzin is.
Vanwege deze problemen zou een betere formulering zijn: 'Alle verwijzingen naar feiten, of alle feiten zoals-ze-gepercipieerd-zijn', zijn een functie van een mentale ordening, of, in brede zin: een theorie.
Van de andere kant benaderd, is het niet erg aannemelijk dat een willekeurige theorie helemaal niets heeft ontleend aan enige glimp van werkelijkheid. We kunnen dus met goed recht omgekeerd stellen: 'Elke theorie is (tenminste deels) feit-geladen'; of, in de bekende analogie, 'Elke kaart is (tenminste deels) gebied-geladen'; en in meer technische termen: ' Elke subjectieve perceptie is (tenminste deels) object-bepaald'; }

(14)

'Waarheid' een nutteloos begrip.


Uiteindelijk kwamen sommige filosofen tot de conclusie dat het begrip 'waarheid' niet alleen naar een onhaalbaar doel verwijst, dus als zodanig een illusie is, maar ook als theoretisch concept geen enkel nut meer heeft in de wetenschapsfilosofie.
Richard Rorty wierp bijvoorbeeld op dat de term 'waarheid' een abstractie is die eigenlijk geheel overbodig is in het alledaags taalgebruik. Er zou geen praktisch verschil bestaan tussen een zin als 'sneeuw is wit' en 'Het is waar dat sneeuw wit is'.
{

Kanttekeningen.

Deze oplossing heeft veel weg van een dooddoener.
(a)

Irrelevante oplossing.


Welbeschouwd wordt hier een stroman drogreden toegepast, die niet het vraagstuk in kwestie raakt. Waar het in de wetenschapsfilosofie om gaat, is immers of 'echte' kennis mogelijk is. Anders gezegd, de vraag of het doen van waarheidsbeweringen zoals 'X', c.q. 'X is waar', niet alleen mogelijk is, maar ook zinvol, nuttig of zelfs nodig kan zijn, als verwijzend naar een toedracht of stand van zaken - en zo ja op welke manier, en onder welke precieze voorwaarden. Dat draait per implicatie om het begrip c.q. het concept 'waarheid', een semantisch predikaat dus. Terwijl de vermeende overbodigheid waar Rorty op wijst betrekking heeft op de term ' waarheid', of andere syntactische varianten van die term, als nominalisaties, afgeleid van het werkwoord 'waar zijn', zoals in de vorm 'Het is waar dat X'.
(b)

Het gaat om semantische 'waarheid'.


De kern die hier werkelijk als 'overbodig' zou moeten worden aangetoond, is dus het doen van elk soort 'waarheidsbewering', in welke vorm dan ook, over welke veronderstelde werkelijkheid ook. Dat wil zeggen, dan moet worden aangetoond dat elke bewering die semantisch tot strekking heeft 'X is waar', of 'Het is waar dat X', en dergelijke, voor niemand ooit enig nut zou kunnen hebben. De letterlijke termen of taalvormen die daarbij worden gebruikt zijn voor dat punt van geen enkel belang, zolang de taalgebruikers elkaar maar redelijk verstaan.
(c)

'Waarheid' - heeft een functie in taal en communicatie.


Vervolgens is duidelijk dat het semantische begrip 'waarheid' in talloze syntactische vormen kan worden uitgedrukt, in vrijwel alle bestaande natuurlijke talen.
(c1)

Gebruik van synoniemen.


Allereerst zijn er allerlei synonieme taalvormen die te gebruiken zijn voor de termen 'waarheid', of 'waar zijn', bijvoorbeeld: 'X is het geval', 'X is een feit', 'X is realiteit', enz..
(c2)

Waarheidsbewering via type taalhandeling.


Daarnaast kunnen we dezelfde strekking, het doen van een 'waarheidsbewering', ook uitdrukken door middel van de syntactische structuur van taaluitingen, met name van het type declaratieve taalhandeling oftewel een mededeling (assertion); bijvoorbeeld (actief): "Ans slaat Ben", of (passief): "Ben wordt door Ans geslagen". Hiermee wordt een contrast aangebracht met andere soorten of typen van taalhandelingen, zoals vraag, verzoek, bevel, aankondiging, belofte, uitroep en ga zo maar door.
Het specifieke type van de bedoelde taalhandeling kan bovendien worden aangegeven door middel van performatieve werkwoorden, die de taalhandeling expliciet maken. Bijvoorbeeld in geval van een declaratieve taalhandeling: 'Ik stel dat X'.
(c3)

Waarheidsbewering via vooronderstelling.


Zowel declaratieve als niet-declaratieve taalhandelingen herbergen verder meestal tegelijk op indirecte wijze, in impliciete vorm, nog meer ' waarheidsbeweringen'. Hierbij maken we gebruik van het verschijnsel vooronderstelling (presuppositie): een declaratieve bewering of stelling op semantisch niveau (in de semantische dieptestructuur) die ten grondslag ligt aan de volledige bewering of stelling (in de semantische oppervlaktestructuur) die in de 'letterlijke' bewering (in de syntactische structuur) expliciet is gemaakt. Vooronderstellingen zijn er globaal in twee soorten:
(·) Taalkundige vooronderstelling: is een vooronderstelling die blijft gelden ongeacht of we de hoofdpredikatie - het gezegde van de hoofdzin - in bevestigende of ontkennende wijs zetten.
Bijvoorbeeld, 'Het huis is (niet) rood en groot' vooronderstelt taalkundig (onder meer): 'Er bestaat een huis'.
Voorbeeld met een factief werkwoord: 'Ik besef (niet) dat X' vooronderstelt taalkundig (onder meer): 'X is het geval'.
(·) Logische vooronderstelling: is een vooronderstelling op semantisch niveau ( semantische dieptestructuur) die geldig moet zijn, om de gehele bewering waar of geldig te laten zijn.
Bijvoorbeeld, 'Het huis is rood en groot' vooronderstelt logisch (onder meer): 'Het huis is rood'.
(c4)

Waarheidsbewering via suggestie / associatie.


Verder kunnen taalhandelingen meer suggestief of associatief een vooronderstelling van een toestand in de werkelijkheid tot uiting brengen. Bijvoorbeeld, een uitroep zoals 'Au!' doet in eerste instantie vermoeden dat de spreker/schrijver pijn ervaart (ook al kan dat gesimuleerd zijn e.d., en is de interpretatie sterk afhankelijk van context).
(c5)

Waarheidsbewering buiten topic.


Aan de andere kant zijn er talloze manieren waarop kan worden aangegeven dat een taalhandeling juist nŪet declaratief is bedoeld. Het waarheidsgehalte van een bewering is daarbij geen onderwerp van aandacht (topic), of wordt in het midden gelaten. Bijvoorbeeld bij een citaat: 'Jan zegt/ beweert/ .. dat X', houdt het waarheidsgehalte van de beweerde (bijzin) 'X' in het midden. Maar in zo'n geval wordt toch nog een waarheidsbewering gedaan in de hoofdzin, zoals hier: dat Jan iets zegt/beweert .., namelijk 'X'.
(c6)

Waarheidsbewering via buitentalige communicatie.


Ten slotte kunnen mensen op allerlei manieren buiten het (verbale) taalgebruik om waarheidsbeweringen doen, in de zin van aanspraken maken over het waarheidsgehalte van toedrachten in de werkelijkheid. Bijvoorbeeld door middel van meer rudimentaire vormen van aanduiding en tekengeving: para-linguÔstische uitingen zoals stemtoon, stemvolume; non-verbale tekengeving via gezichtsuitdrukking, houding, gebaren en bewegen; grafische vormgeving in schrift en tekst via tekenstijl, lay-out e.d.; en directe fysieke aanwijzing (deixis) via (letterlijk) vingerwijzing, symbolische handelingen of rituelen, demonstratief gedrag, gebruik van richtingwijzers, of handleidingen, enz. enz..
We zien kortom dat mensen vrijwel altijd bepaalde waarheidsbeweringen in hun taaluitingen verwerken; en sterker, dat waarheidsbeweringen vaak onvermijdelijk zijn bij het doen of begrijpen van taaluitingen. Alles wijst erop dat ze een onmisbaar en onlosmakelijk onderdeel zijn van volwaardig menselijk taalgebruik.
Het zinloos verklaren van het begrip 'waarheid' is dus niet relevant voor het aloude epistemologische probleem: de vraag of waarheidsbeweringen Łberhaupt zinvol kunnen zijn.
}

3.

Postmoderne alternatieven voor 'waarheid'.



(1)

'Waarheid' als (louter) psychologisch verschijnsel.


Veel filosofen zijn overtuigd geraakt van de onhaalbaarheid van zinvolle uitspraken over 'waarheid', oftewel waarheidsbeweringen in 'letterlijke' zin: met enige suggestie of pretentie van objectiviteit.
Niettemin erkennen velen dat waarheidsbeweringen - zie boven - vrijwel onmisbaar zijn in normale vormen van taalgebruik en communicatie. Daarom zijn allerlei theorieŽn bedacht waarin wordt aangenomen dat waarheidsbeweringen al met al wel een nuttige functie hebben voor welbevinden en gedrag van de 'gewone' leek of burger, reden waarom deze theorieŽn onder de noemer van psychologisme worden geschaard.
"Truth is a purely cogitative relation between intelligence and its object." (Dewey, J., 1998b: 102).

(1.1)

Coherentie - als criterium voor waarheid.


Een voorbeeld hiervan is de coherentietheorie. We vinden een overtuiging aannemelijk wanneer die verenigbaar is, oftewel 'coherent', met al onze andere overtuigingen (naar Otto Neurath, 1882-1945, logisch positivist).
{

Kanttekeningen.

Het is niet altijd duidelijk wat 'coherent' in dit verband moet betekenen.
(a)

Syntactische samenhang.


In strikte zin is coherentie louter een syntactisch begrip, dat staat voor 'samenhang', ' aansluiting' of compatibiliteit. Een coherent verhaal betekent dan dat de verschillende grammaticale schakels, zoals zinnen, bijzinnen en bepalingen, zodanig op elkaar aansluiten dat de beschrijving of redenering samenhangend is. Vanuit de taalkunde gezien is dit echter een tamelijk fuzzy criterium, want verre van sluitend te definiŽren.
Het is bovendien zeker niet direct relevant voor de logische geldigheid van een betoog of relaas. Weliswaar geldt: 'incoherentie impliceert contingentie, dus ongeldigheid', maar niet vice versa.
}

(1.2)

Compatibiliteit met context - als criterium voor waarheid.


Nauw verwant aan deze zienswijze is het contextualisme: de geldigheid van theorieŽn kan slechts binnen een context van andere theorieŽn en experimenten worden aangetoond.
{

Kanttekeningen.

(1)

Aansluiting op context impliceert coherentie in syntactische vorm.


Op de keper beschouwd vereist contextualisme voldoende aansluiting (compabiliteit, commenusrabiliteit) op een bepaalde context c.q. minstens ťťn specifiek context-element. Uiteraard kan voor een bepaalde bewering of opvatting op een zeker moment een zekere mate van aansluiting op een context gevonden worden. Maar die zal in ieder geval louter op vorm zijn, dus - net als in het geval van coherentie - uitsluitend syntactisch van aard zijn, dus om zo te zeggen 'waarheidsvrij'. De bezwaren die voor de syntactische vorm van coherentie gelden zijn dan ook overeenkomstig van toepassing.
(2)

Syntactische beoordeling op context impliceert arbitraire begrenzing.


Ook in een ander syntactisch opzicht blijkt sprake van een schijnoplossing: de meeste kennis of informatie heeft betrekking op domeinen van onafzienbare omvang. Daar zijn globaal drie vormen van:
(I) 'Open systemen', die in principe oneindig uitgebreid dan wel uitbreidbaar zijn, - zowel in schaal van totale omvang als diepte van detail - zoals de fysische realiteit;
(II) 'Formele systemen', die onbeperkt-oneindig complex zijn, zoals het domein van abstracte patronen (informatie, logica);
(III) 'Hybride systemen', meeromvattende gebieden waar de andere domeinen, met al hun complexiteit, gecombineerd worden, zoals de sociaal-psychologische wereld.
Dit geheel vormt eigenlijk de 'complete' mogelijke context van een willekeurige bewering of opvatting. We kunnen in concrete problemen van oordeelsvorming echter, met onze beperkte bevattingsvermogens, en onze eindige middelen in tijd en ruimte, alleen een specifieke context volledig in aanmerking nemen die een eindige, relatief uiterst beperkte selectie vormt vanuit die 'algemene' context. In veel gevallen zal dat de meest nabijgelegen (proximale) context zijn. De keuze van de precieze afbakening (demarcatie) is echter noodzakelijk arbitrair. Dit levert twee problemen:
(1) Het is tevoren niet voorspelbaar dat de gewenste aansluiting wel bestaat of althans te vinden is.
(2) Maar als we eenmaal een bepaalde aansluiting hebben gevonden, kunnen we ook achteraf niet weten dat de geselecteerde 'context' met een kleine uitbreiding of verschuiving meer of minder, nog steeds voldoende aansluiting oplevert? Om dat te kunnen achterhalen moeten we de eerstvolgende mismatch kunnen opsporen. Daarvoor zullen we steeds opnieuw de gekozen context in kwestie moeten uitbreiden - in principe tot in het oneindige. Waarmee de beoordeling onbeslisaar blijkt.
(3)

Semantische beoordeling op context impliceert (eveneens) arbitraire begrenzing.


Wanneer we context niet alleen 'waarheidsvrij' willen bezien, maar ook beschouwen als waarheidscriterium, dan biedt dat eveneens weinig soelaas. Want stel dat een bewering of opvatting 'voldoende' aansluit (waar eindigt dat?) op een context (waar eindigt die?), en die context geldt als 'waar' (voor wie?), of althans 'aanvaard' (door wie?). Dan is ze volgens het contextualisme zelf als 'waar' of althans 'aanvaard' te beschouwen. Het contextualisme verplaatst daarmee echter het semantische probleem: want hoe kunnen we weten dat de 'context' wŤl waar is? Ook voor dat antwoord moeten we steeds opnieuw een meeromvattende 'context van de context ' zoeken, en ook dit in principe tot in het oneindige. Het leidt dus tot circulariteit, waardoor het als criterium nooit logisch voldoende is.
Kortom, het contextualisme maakt toetsing op inhoud, dat wil zeggen op semantisch vlak, hoe dan ook onmogelijk. }

(1.3)

Consistentie - als criterium voor waarheid.


Een geschikter criterium dan coherentie lijkt het logische begrip consistent: vrij van strijdige elementen.
{

Kanttekeningen.

Een toets op consistentie kan op twee manieren worden gebruikt op de aannemelijkheid van een bewering te bepalen: in bewijsvoering en in weerlegging.
(a)

Consistentietoets - voor bewijsvoering van aannemelijkheid.


(a1)

Geen garantie voor aannemelijkheid.


In de logica is echter alleen logische geldigheid criterium voor aannemelijkheid van redeneervormen. Dit ligt op het eerste logische structuurniveau. Dat niveau kent drie onderscheidingen: logische geldigheid (validiteit, altijd waar), versus ongeldigheid verdeeld in contingentie (onbeslistheid, waar en/of onwaar) en contradictie c.q. inconsistentie (strijdigheid, in geen geval waar).
Wanneer consistentie, oftewel verenigbaarheid, bijvoorbeeld circumstantial evidence, wordt gebruikt als criterium voor aannemelijkheid brengt dat onvermijdelijk een drogreden met zich mee die Bertrand Russell's in zijn zgn. 'bisschop Stubbs-bezwaar' naar voren bracht: het niet-strijdig (consistent) zijn van een verzameling uitspraken kan in logische zin zowel valide als contingent-ongeldig betekenen, en biedt dus geen enkele garantie voor de waarheid c.q. aannemelijkheid van die uitspraken.
We kunnen dit als volgt formeel weergeven.
Gegeven een formeel systeem (taalsysteem)

L!

, geldt algemeen:
een verzameling van welgevormde formules is consistent, wanneer er geen contractie uit afleidbaar is.
In dat geval kan de verzameling geldig zijn (valide), maar ook contingent-ongeldig.
{

L!

|

k ( (K*[k] WFF*(

L!

) );
( j1 ( (F[j1] K*[k] );
¨((K*[k] F[j1] ) (K*[k] ¨F[j1] ) );
¨(K*[k] (F[j1] ¨F[j1] ) );
¨(K*[k] {F[j1], ¨F[j1] } ) )j );
¨(K*[k] ) );
CONSIS(K*[k] );
( ( K*[k] ) ( ¨K*[k] ) ) ) )k }.
(a2)

Combinatorische explosie.


Bovendien volgt uit deze aanname een absurditeit: een Doos van Pandora wordt geopend doordat bij een gegeven aantal van n basisfeiten altijd het aantal unieke consistente logische relaties dat mogelijk is, al hyperexponentieel is in n - minus precies ťťn, namelijk de enige inconsistente toestandcombinatie. Daarbij is het aantal unieke consistente redeneervormen dat mogelijk is (zonder herhaling), al ultra-exponentieel in n (namelijk de machtsverzameling van de vorige). Dit is het beruchte logische mechanisme van combinatorische explosie, dat bijvoorbeeld het zoekprobleem in Kunstmatige Intelligentie bij een meer dan minimale n fysiek onoplosbaar (infeasable) maakt.
De hoeveelheid stellingen (c.q. modellen) en redeneervormen (analyses) over een bepaalde vraagstelling die volgens het consistentiecriterium acceptabel zijn, zal dus in de praktijk al gauw astronomische proporties hebben. De oeverloze divergentie, differentiatie, en fragmentatie zal leiden tot een wildgroei van alternatieven en varianten van hypothesen en theorieŽn. Er wordt bovendien niet gerept van enige noodzaak of mogelijkheid om een enigszins ordelijke restrictie vooraf of reductie achteraf toe te passen. Het gevolg is een 'discours' dat opzwelt tot een onafzienbare schuimtaart, waarin men 'door de bomen het bos niet meer ziet', en de oorspronkelijke vraagstelling nagenoeg onbeslisbaar wordt. Dit is precies het beeld dat verrijst in de sociale wetenschappen onder het postmoderne paradigma.
Dit is natuurlijk volkomen in strijd - inconsitent (!) - met het aloude criterium voor wetenschappelijkheid, de wet van de spaarzaamheid, (lex parsimoniae), oftewel 'het scheermes van Ockham' ('Ockham's razor'), vernoemd naar William of Ockham (ca. 1287-1347), Engelse franciscaan, scholasticus-filosoof en theoloog, die dit principe verwoordde als 'Plurality must never be posited without necessity', (Numquam ponenda est pluralitas sine necessitate, Occkham, in ' Quaestiones et decisiones in quattuor libros Sententiarum Petri Lombardi', ed. Lugd., 1495, i, dist. 27, qu. 2, K).).
(b)

Consistentietoets - voor weerlegging van aannemelijkheid.


Toetsen op consistentie kan zeker wel zinvol gebeuren, maar dan in negatieve zin: het aantonen van inconsistentie in het kader van weerlegging, via 'afleiding tot het ongerijmde' (reductio ad absurdum). Wanneer uit de aanname van een verzameling beweringen minstens ťťn logische strijdigheid (contradictie) afleidbaar is, blijkt de verzameling als geheel inconsistent, en is daarmee weerlegd.
De scope van de analyse wordt hier dus begrensd door het bereik (de range) van de afleidbare consequenties van de te beoordelen stelling of theorie. Vervolgens is de eerste contradictie die we tegenkomen al voldoende om de inconsistent, tot een beslissend oordeel te komen. Het probleem van combinatorische explosie valt bij deze methode dus weg.
Het domein van de inconsistentie toets kan worden uitgebreid met het gehele domein van de algemeen toegankelijke, aantoonbaar werkelijkheid, dat wil zeggen: het geheel van zintuiglijk verifieerbare feiten, de empirie, en het geheel van aanvaarde (liever: deugdelijk bewezen) wetenschappelijke kennis over die feiten. We toetsen dan of een stelling of theorie niet 'botst' met reeds bekende - en erkende - feiten of gegevens. Dit is de falsificatie toets zoals voorgesteld door Karl Popper in zijn fallibilistische kennistheorie. Hierdoor kan gericht worden gezocht naar zwakke plekken in een stelling of theorie, en het is daardoor een zeer efficiŽnte en effectieve manier om kennis te verbeteren. (Dit is in feite toegepast om de talrijke paradoxen in postmoderne theorieŽn aan het licht te brengen).
(c)

Consistentietoets - voor 'weerlegging van het tegendeel'.


Bovendien is de consistentietoets een zeer robuust middel voor 'negatieve bewijsvoering', door ' weerlegging van het tegendeel'. Hierbij wordt simpelweg de omgekeerde redenering - de contrapostie - van de voorgaande gevolgd:
Wanneer uit de ontkenning van een verzameling beweringen een logische strijdigheid ( contradictie) afleidbaar is, blijkt de ontkenning van de verzameling inconsistent, maar daaruit blijkt de verzameling als geheel valide, en is daarmee bewezen.
(d)

Consistentietoets - voor ondermijning van geloofwaardigheid.


Het aantonen van inconsistentie om een bepaald standpunt te weerleggen, wordt echter vaak gebruikt op een minder solide manier.
Vaak wordt het bereik van het consistentie criterium uitgebreid tot de gesprekspartner, of althans de bron van de bewering in kwestie. Beoordeeld wordt dan in hoeverre de bewering van een spreker c.q. opponent verenigbaar is met diens overige opvattingen. Dit is vanouds een heel gebruikelijke tactiek in de dialectiek, o.a. bekend van de 'Socratische dialoog' bij Plato. Ze dient meestal om iemand in een discussie te laten 'vastlopen' in de contradicties van zijn eigen gedachtegoed. Een methode die nog steeds veel wordt toegepast in discussies en disputen van allerlei aard, van politieke debatten tot gerechtelijke verhoren, en zelfs tot relationele ruzies.
Deze methode is echter minder probleemloos dan ze kan lijken.
(d1)

Onverhoedse generalisatie.


Allereerst wordt het object van beoordeling c.q. weerlegging, die bestaat uit een bepaalde uitspraak of redenering, uitgebreid tot het bredere scala van iemands denkbeelden. Dit behelst dus een generalisatie, en de vraag is daarbij altijd: in hoeverre is die voldoende gegrond of althans gerechtvaardigd?
(d2)

Verschuiving van topic.


Bij deze verbreding wordt bovendien de scope van de vraagstelling of discussie verschoven van een bepaalde toedracht in de werkelijkheid, naar een hoedanigheid of geestestoestand van een persoon.
(d3)

Onduidelijke afbakening.


De volgende vraag is of dat gebied wel voldoende kenbaar en afgebakend is. Wat valt allemaal onder de 'overige opvattingen' van de spreker?
Zonder specificatie van tijd, plaats en context kan de evaluatie al gauw oeverloos worden.
(d4)

Kennis van gedachten.


Vaak worden niet alleen letterlijke uitspraken, maar ook, en soms vooral, de - onuitgesproken - gedachten en motieven van de persoon betrokken in de toetsing. De vraag is dan hoe deze te achterhalen. Een aangewezen methode is natuurlijk ernaar te vragen, bijvoorbeeld via een interview. Maar niet zelden wordt een beroep gedaan op een zekere mate van ' intuÔtieve' of telepathische waarneming, c.q. gedachtelezen. We zien dat gebeuren op allerlei gebieden, zelfs bij wetenschappers, met name in de sociale sector. Deze mentale inspectie -op-afstand, eigenlijk een vorm van logisch- psychologische diagnostiek, komt vaak neer op ' Ins Blau hinein interpretieren'. Veel voorkomende drogreden is hierbij 'iemand zomaar een standpunt toeschrijven' (c.q. 'in de schoenen schuiven'), oftewel de stroman drogreden.
(d5)

Bemoeienis met prive terrein.


Een gangbare opvattig in de ethiek is dat iemands psychische 'binnenwereld' behoort tot zij of haar 'privť terrein'. Het naar goeddunken grasduinen daarin is in dat licht enigszins grensoverschrijdend. Als de beoordelaar hiertoe niet deskundig en bevoegd is, en het 'object' geen consent heeft gegeven, wordt dat gezien als een weinig ethische handelwijze.
(d6)

Impliciet ad hominem.


Hoe dan ook vereist deze toets op consistentie, wanneer ze zonder duidelijke en beperking tot tijd, plaats en semantische context wordt toegepast, een uitputtende beoordeling van de gehele mentale inhoud van het brein van de spreker - inclusief zijn geschiedenis en al zijn logisch af te leiden consequenties. Het behelst daarmee een ' tijdloos totaaloordeel' over de persoon, oftewel karakteranalyse. Dit is in het algemeen een uiterst complexe en feilbare taak. Het ontaardt bovendien nogal eens in morele inspectie, soms zelfs een soort inquisitie - een verkapt argumentum ad hominem. De vondst van inconsistentie wordt bijvoorbeeld voorgesteld als 'bewijs' voor iemands ongeloofwaardigheid wegens onbetrouwbaarheid, 'draaijerij', opportunisme, hypocrisie, en dergelijke. Maar het kan ook gewoon wijzen op verandering van gedachten - een volstrekt normaal en gezond verschijnsel. Mensen hoeven immers niet continu constant, consistent of 'consequent' te zijn in denken en handelen. Sterker nog, zonder dat zou geen psychologische ontwikkeling of persoonlijke groei mogelijk zijn.
(d7)

Niet direct relevant.


Het belangrijkste bezwaar is echter dat deze toets Łberhaupt niet direct relevant is voor de logische waarde van de bewering in kwestie.
Als de uitkomst consistentie is, dan blijven de onder (a) genoemde beperkingen en problemen gelden.
Maar bij inconsistentie zijn we ook niet veel verder. Het probleem kan in dat geval eventueel in de specifieke bewering in kwestie schuilen, maar ook in de volledige overige context, c.q. enig afzonderlijk element binnen die context. Zie onderstaande formele weergave.
Stel: een bewering (formule) F[j1] levert in combinatie met een meer omvattende verzameling K*[k] inconsistentie op.
{

L!

|

k ( (K*[k] WFF*(

L!

) );
( j1 ( (F[j1] WFF*(

L!

) );
( ¨(F[j1] K*[k] );
( ( {K*[k] F[j]} );
¨CONSIS(K*[k] F[j1] );
(¨CONSIS(K*[k] ) ¨CONSIS( F[j1] ) );
( ¨K*[k] ) ¨F[j1] );
( j2 ( (F[j2] K*[k] );
(({F[j1], F[j2] } ) );
(¨CONSIS(F[j1] ) ¨CONSIS(F[j2] ) );
( ¨F[j1] ¨F[j2] ) )j2 )j1 )k }.
Met andere woorden, de uitkomst zegt dan nog niets over de inconsistentie van de betreffende bewering.
In beide gevallen kan de uitkomst hoogstens dienen als aanwijzing voor nader onderzoek naar de eigenschap waar het om gaat: de validiteit c.q. het waarheidsgehalte van de bewuste uitspraak.
}

(1.4)

Constantie - als criterium voor waarheid.


Een verwant standpunt, een vorm van psychologisme in engere zin, houdt in dat waarheidsbeweringen voor de 'gewone' mensen meestal een functie hebben om hun alledaagse gevoel van zekerheid en houvast te handhaven. In een continu veranderlijke werkelijkheid bieden overtuigingen en stellingen enige bestendigheid, constantie, temidden van alle flux , chaos en ruis.
Het concept waarheid fungeert hierbij anders gezegd primair op individueel psychologisch niveau, als middel voor intrapsychische zelforganisatie.
"Our quest for truth in the end manifests not a pure inquiry into epistemological relations but an underlying psychological need for certainty." (Dewey 1960).
{

Kanttekeningen.


Natuurlijk valt aan te nemen dat iemand die het begrip waarheid op deze manier toekent en gebruikt, meestal een oprechte overtuiging van de betreffende denkbeelden zal koesteren. Het blijft aan de andere kant lastig te verifiŽren Úf iemand een bepaalde opvatting inderdaad intrapsychisch als 'zekerheid' gebruikt, en of dat met volle overtuiging is. Te stellen dat dit altijd voor elke opvatting van iedereen geldt, kan al helemaal niet vastgesteld worden, en komt in wezen neer op een extreme vorm van generalisatie, op basis van massa gedachtenlezen over alle mensen in verleden, heden en toekomst. Als uitgangspunt is het dus onhoudbaar. }

(1.5)

Emotie - als criterium voor waarheid.


Als de menselijke behoefte aan zekerheid in het spel is, zijn emoties niet ver weg. Het idee won dan ook terrein dat het niet zozeer cerebrale factoren zijn zoals cognitie, ratio of logica, zogezegd 'hoofd' en 'verstand', die bepalend zijn voor de opvattingen van mensen, maar de meer irrationele processen zoals emotie, sentiment of passie, of wat men ook noemt 'gevoel', 'het hart', 'intuÔties', 'de onderbuik' en dergelijke.
"De meeste mensen worden niet in eerste instantie bewogen door rationele argumenten, maar door een vonk die het hart raakt." (Manfred Horstmanhoff, Trouw, 11-3-1997).
"Kapitale beslissingen neemt men nooit met het volle verstand." (Eelco Runia, de Volkskrant, 24-12-2011).
{

Kanttekeningen.

Deze aanname wordt de laatste decennia onderbouwd met talrijke aanwijzingen uit experimenteel gedragspsychologisch en neuropsychologisch onderzoek. Vrijwel al dit onderzoek is echter op voorhand nogal eenzijdig gericht op het opsporen van 'bewijzen' voor de onbetrouwbaarheid en de onverbeterlijkheid van het menselijk oordeelsvermogen. Met name gaat het dan om de geneigdheid, de 'kwetsbaarheid', de ontvankelijkheid en de beÔvloedbaarheid van mensen voor irrationele prikkels en impulsen zoals emoties en sociale incentives.
Dit roept enkele tegenwerpingen op.
(a)

Eenzijdige focus.


Met een ander onderzoeksprogramma, gericht op de meer betrouwbare en verbeterbare vermogens in het menselijk oordelen, zou weleens een heel ander beeld kunnen ontstaan. Het is dus goed mogelijk dat de sociale wetenschappen ons tot dusver van een eenzijdig en vertekend beeld hebben voorzien, waardoor de rol van het irrationele zwaar overschat wordt.
(b)

Geur van belangenverstrengeling.


Met al dat antirationalisme in de onderzoeksdoelen van de sociale wetenschappen wordt steeds weer de feilbaarheid van functioneren, de kwetsbaarheid van welbevinden, en de beperkte toerekeningsvatbaarheid van mensen onderstreept. Daarmee wordt in feite, expliciet of impliciet, steeds weer gehamerd de afhankelijkheid van 'gewone mensen' c.q. 'onwetende leken' van vormen van steun en begeleiding. Wie die kunnen leveren zijn uiteraard psychologen en psychiaters, met allerlei welzijnsproducten zoals therapieŽn en psychofarmica. Het lijkt er dan ook op dat de sociale wetenschappers wel erg ijverig zorgt voor de onderbouwing van haar eigen belang, en dat van hun collega's werkzaam in de sociale sector, de bekende 'markt van welzijn en geluk' (zie H. Achterhuis, 1979, ( 'De markt van welzijn en geluk', Basisboeken Ambo, 1979).
De geur van belangenverstrengeling stijgt hier wel enigszins uit op.
(c)

Uitnodigend tot manipulatie.


Het derde bezwaar is dat de nadruk op het irrationele in de drijfveren van mensen ook de boodschap uitdraagt dat dit onvermijdelijk is, en dus, dat mensen het meest effectief via hun 'onderbuik' motieven kunnen worden aangesproken. Uiteraard biedt deze zienswijze een uitnodiging, zo niet aansporing, om de reacties en keuzes van mensen doelgericht via emoties te beÔnvloeden, met name - met voorbijgaan aan hun bewuste besef en besluitvorming - te manipuleren. Een strategie die al langer door de reclame en PR industrie werd uitgebaat.
"De reclamemaker moet op het gevoel werken" (Jeroen Trommelen, 14-11-1992, de Volkskrant, p.15; citeert drs P. Schweitzer, reclamepsycholoog, 43).
Een niet gering probleem is dat deze opvatting ook aan burgers leert dat politieke keuzes maar beste via de onderbuik kunnen worden gemaakt.
}

(1.6)

Nut - als criterium voor waarheid.


In het pragmatisme wordt, in vergelijking met psychologisme, gewezen op een veel bredere functie van kennis, namelijk haar bruikbaarheid in het licht van onze subjectieve doelen en behoeften. De gebruikswaarde wordt hier gezien als het hoofddoel van kennis en informatie, veel meer dan waarheid of objectiviteit.
De meer 'radicale' varianten van deze visie huldigen zelfs de zienswijze dat begrippen als waarheid en objectiviteit - volledig en uitsluitend - zijn te definiŽren in termen van werkzaamheid, doelmatigheid, en effectiviteit.
"Objective truth means interpretations of things that make these things effectively function in liberation of human purpose and efficiency of human effort." (Dewey, J., 1998b: 128).
"Any idea upon which we can ride [..] any idea that will carry us prosperously from any one part of our experience to any other part, linking things satisfactorily, working securely, saving labor; is true for just so much, true in so far forth, true instrumentally." (William James, 1907 , p.52-61).
"Het gaat er niet om of het waar is, maar of het werkt." (Bandler & Grinder, 1979/ 1981, p.19).
"Our account of truth is an account on truths in the plural, in the processes of leading; realized in rebus, and having only this quality in common, that they pay. [..] Truth for us is simply a collective name for verification-processes, just as health, wealth, strength, etc., are names for other processes connected with life, and also pursued because it pays to pursue them." (William James, 1907, p.84).
{

Kanttekeningen.

Bij deze opvatting doemen er echter aanzienlijke problemen op.
(1)

Ondoelmatig proces.


Zonder toetsing op de criteria waarheid en objectiviteit kunnen denkbeelden alleen achteraf, om zo te zeggen, 'after the fact' worden getoetst op hun effectiviteit. Dat is uiteraard buitengewoon ondoelmatig, en werkt rechtsreeks in tegen het streven naar effectiviteit.
(2)

Paradox in het proces.


Bovendien ontstaat in het proces van oordeelsvorming een paradox. Om te bepalen of iets 'werkt' moeten we het beoordelen op haar effectiviteit. Dit impliceert het verklaren van een gebeurtenis, zeg B, als effect van een andere, voorgaande gebeurtenis, zeg A, als oorzaak. Alleen al om louter deze gebeurtenissen als feiten te kunnen vaststellen is waarheidsvinding vereist, en die zal hoe dan ook enig objectief gehalte moeten hebben. Maar dit wordt in de radicale versies van het pragmaisme uitgesloten. Het is dus zeer de vraag of denkbeelden in dat kader Łberhaupt wel op hun effectiviteit kunnen worden beoordeeld.
(3)

Bias door psychologische mechanismen.


Een ander probleem is dat de pragmatische visie geen check inbouwt op allerlei psychologische mechanismen die tot vertekening (bias) kunnen leiden: met name de menselijke voorkeur voor constantie en consistentie van de eigen gedachtenwereld (conservatieve tendens, conservation bias: Nisbett & Ross, 1980, p.176-177).
Hierdoor hebben we de neiging vooral naar positieve bevestigingen van de eigen opvattingen te kijken (confirmation bias, positivity bias: Evans, J.S.B.T. 1989, p.41); en deze min of meer 'op te blazen'. Deze tendentie gaat vaak samen met weerstand om negatieve uitkomsten (uitzonderingen) te accepteren. Ook is er vaak de neiging om de positieve bevestigingen wat 'op te blazen' (overvaluing evidence).
Dit soort mechanismen zorgen voor allerlei invloeden van verstorende en vertekenende aard op de informatie die we gebruiken. Het is dan ook de vraag of een denkbeeld wel ' effectief' kan zijn, als het niet gecontroleerd en gecorrigeerd wordt op deze invloeden.
Eerste probleem is dat er geen check plaatsvindt op allerlei psychologische mechanismen die tot vertekening (bias) leiden: met name de algemeen menselijke neiging om vooral naar positieve bevestigingen van de eigen opvattingen te kijken (conformation bias), en met moeite negatieve uitkomsten c.q. uitzonderingen te accepteren (ignoring evidence).
{N.b. Zie ook het overzicht: Beperkingen van menselijke kennis en oordeelsvorming; Veel voorkomende waarnemings- en beoordelingsfouten; 2. Psychologische beperkingen en tendenties; h. Zelf-bevestigend oordelen. }
(4)

Extra problemen bij causale analyse.


Om te bepalen of iets 'werkt' is oordeelsvorming vereist over een causale relatie tussen een begin- en eindtoestand. Deze beoordeling, of inschatting, vraagt om zowel verklarend vermogen (in retrospectief) als voorspellend vermogen (in prospectief). We verplaatsen dus het probleem van algemene validiteit naar dat van causale validiteit als criterium.
Dat laatste is in veel gevallen van behoorlijk complexe aard, en vereist daarom juist een oordeelsvorming vereist van behoorlijk objectief gehalte, en tamelijk sophisticated niveau.
}

Kortom, de Map-Territory analogy c.q. het pragmatisme is een bijzonder nuttige invalshoek, maar vereist - juist in de praktijk van haar toepassingen - nog steeds even veel waarheidsbeslisbaarheid, en lost de wezenlijke problemen met dit criterium niet op.

(1.7)

Verhalen - als voertuig voor waarheid.


Uit het 'paars-postmoderne' huwelijk van begin negentiger jaren ontstond al direct een bijbehorende visie die stelt dat menselijke kennis alleen bestaat uit 'verhalen' die mensen zichzelf en elkaar vertellen: het narrativisme.
"De radicale verontwaardiging van veel quasi-progressieve intellectuelen heeft plaats gemaakt voor een postmodernistische gelatenheid, waarin alles context en fragment lijkt. Het 'grote verhaal' is verdwenen - en dat is maar goed ook, want het eindigde in werkelijkheid in grote ellende. Hoe groter het verhaal, des te groter de ellende". (Frits Bolkestein, 'Personalisering in de politiek'. de Volkskrant, 14-03-1992).
"Elke ideologie die ernaar streeft alomvattend te zijn - een betere toekomst voor iedereen op de hele wereld - zal tegelijkertijd onderdrukkend zijn.
Bovendien: Geen enkele ideologie is in staat geweest de honger, het onrecht, de ellende en de verveling uit de wereld te bannen.
[..] Het is een illusie te denken dat er in de geschiedenis vooruitgang zou bestaan. Veel problemen zijn inherent aan het menselijk bestaan. De beste oplossing bestaat niet, maar is afhankelijk van de situatie en de mensen die daarin operereren. Laten we alle grote verhalen afschaffen en in plaats daarvan ons richten op de kleine verhalen die circuleren in de talloze netwerken waar mensen zich in begeven. Een 'politiek van kleine verhalen'." (Marli Huijer, 'Pluriforme samenleving vraagt om politiek van kleine verhalen', in: de Volkskrant, 9 januari 1993, p.18).
"Het postmodernisme biedt dan een verrassend perspectief, omdat het ironisch wil zijn en niet-totalitair. Tegenover de gevaarlijke pretenties van het gemeenschapsdenken en tegenover de hoogmoed van het politieke primaat stelt het de ambitieuze bescheidenheid van de kleine verhalen, waarin het toeval wordt geaccepteerd en waarin pluraliteit het hoogste goed is, in een niet-moralistische betekenis. Dat lijkt me eerder een vrolijk dan een cynisch verhaal." (Paul Frissen, hoogleraar bestuurskunde, Katholieke Universiteit Brabant, 'Het vrolijke verhaal van het postmodernisme', de Volkskrant, 4 maart 1996).
"De meeste mensen zijn niet in staat een redenering te volgen die is gebaseerd op argumenten. Daarom hebben zij verhalen nodig" (Galenus, Grieks medicus en filosoof, 2de eeuw na Chr.).
"We voelen ons pas goed als we ons kunnen verenigen met het gangbare verhaal." (Arjo Klamer, de Volkskrant 28-12-1991).
{

Kanttekeningen.

Afgaande op de claims van de protagonisten van het 'kleine verhaal' zou het 'grote verhaal' niet alleen als afspiegeling van de realiteit een armzalige illusie zijn, onmogelijk voor aannemelijk te houden; maar ook als richtsnoer voor denken en handelen kolossale gevaren in zich herbergen en onvermijdelijk grote onrechtvaardigheden en rampen met zich mee brengen. De catastrofale kanten daargelaten zou het 'kleine verhaal' hiervoor een mooie, heel bevredigende oplossing bieden, in ieder geval voor de ernstige waarheidstheoretische problemen. Maar voor zo'n veelbelovende stap voorwaarts zou er wel een heel belangrijk, zo niet essentieel verschil moeten zijn tussen 'kleine' en 'grote' verhalen. Elk zou intrinsieke kenmerken moeten hebben die onverenigbaar zouden moeten zijn met die van de andere. Het is tot dusver echter helemaal niet te achterhalen gebleken of ze wel als afzonderlijke categorieŽn bestaan, wat het exacte verschil tussen beide zou zijn, en of dit Łberhaupt enigszins eenduidig te definiŽren zou zijn. }

(1.8)

Mening - als synoniem voor waarheid.


De wijde verbreiding van postmoderne opvattingen - subjectivisme, relativisme, psychologisme - heeft bij veel mensen geleid tot de rotsvaste overtuiging dat waarheidsbeweringen niet meer behelzen dan meningen, en ongekeerd, dat meningen 'dus' niet minder zijn dan kennis : 'Kennis is ook maar een mening', 'Waarheid is ook maar een mening', ' Wetenschap is ook maar een mening' - oftewel: 'Mening is weten'.
Nauw verwant hieraan is het idee dat meningen in het algemeen zelfs beter zijn dan wetenschappelijke kennis. Het devies is dan ook geworden: ' Mensen zelf laten bepalen wat waar is'.
{

Kanttekeningen.

Hier zijn enkele tegenin te brengen.
(a)

Een bekende drogreden.


Nemen we de bijna grenzeloze menselijke verbeeldingskracht in ogenschouw dan blijkt een eenvoudig ervaringsfeit: niet alle opvattingen en meningen zijn feiten of verwijzen naar feitelijke toestanden. Meningsvorming kan dan ook nooit ter vervanging dienen van waarheidsvinding en realiteitstoetsing.
Het verwarren van meningen met feiten wordt vanouds beschouwd als een nogal fundamentele drogreden, denkfout of 'irrationele gedachte': een mening wordt als feit voorgesteld. Dit ontaart gemakkelijk in een veel ernstiger drogreden: een mening krijgt de status als onwrikbare waarheid (ook bekend als 'doctrinisme', 'dogmatisme', 'doctrine over person', 'lost perfomative').
(b)

Impliceert solipsisme.


In feite gaat het hier om de praktische consequentie van het eerder besproken theoretische uitgangspunt van absoluut subjectivisme. ' Ieder creŽert zijn eigen werkelijkheid', inclusief de logische implicatie van solipsisme. Dezelfde bezwaren zijn dan ook van toepassing.
}.

(2)

'Waarheid' - heeft (altijd) een sociale/ intersubjectieve functie.


Een andere uitweg die men zocht in het postmodernisme uit het waarheidsbeslisprobleem, lag in een meer praktisch bruikbare opvatting van realiteit. Het was immers zonneklaar dat mensen opvattingen en uitspraken voor 'waar' bleven houden, of althans zouden blijven gebruiken alsof ze 'waar' zouden zijn.
Binnen het pragmatisme wordt daarom veelvuldig gewezen op de zinvolle functie van waarheidsbeweringen in het menselijk taalgebruik, of breder, communicatie en sociale interactie. Mensen maken in hun dagelijkse sociale interacties immers - zoals we zagen - zeer geregeld verwijzingen naar het veronderstelde waarheidsgehalte van toedrachten, via taaluitingen of andere uitingsvormen.
Het doel hiervan kan louter min of meer 'neutrale' informatieverstrekking zijn, of stellingname door het kenbaar maken van de eigen opvatting, twijfel of afwijzing, ten aanzien van een idee of toedracht. Daarvan kan de bedoeling zijn om mensen te overtuigen van een bepaalde toedracht of mening.

De observatie dat waarheidsbeweringen geregeld in een sociale context worden gebruikt, wordt echter ook weer verheven tot een allesoverkoepelende 'wet'. Termen voor 'waarheid' zouden uitsluitend gebruikt worden onder invloed van sociale factoren.
"The import of the term [i.e. 'truth'] remains socially determined." (Dewey, J., 1998b: 103).
{

Kanttekeningen.

Het gebruik van waarheidsbeweringen is echter zeker niet beperkt tot sociale context.
(a)

Waarheidsbeweringen kunnen primair intra-psychisch plaatsvinden.


Denkbeelden en beslissingen over waarheid kennen ook, en misschien wel op de eerste plaats, een intrapsychische functie, in de 'communicatie met zichzelf' die mensen in hun eigen gedachten kunnen plegen. Zo kunnen we gedachten en percepties hebben in de vorm van mentale voorstellingen, en deze kunnen waarheidsbeweringen bevatten, behelzen of impliceren, die al dan niet in 'interne' taaluitingen, of ' gedachtezinnetjes' zijn weergegeven (ook genoemd self-talk, inner speach, inner dialogue, of dialogue intťrieur).
Iedereen kent wel gedachten in de trant van: 'Wacht eens even, is dit wel waar, wat ik hier hoor, lees, denk ..?' .. 'Dat zal toch niet waar zijn!?' .. 'Het is gewoon waar wat ik heb meegemaakt!' ..
Het gaat daarbij om cognitieve processen in het kader van de verwerving, evaluatie en selectie van informatie. We kunnen de hiervoor benodigde interne cognitieve vaardigheden uiteraard leren of versterken via sociale interactie. Dat kan expliciet, via educatie, instructie of indoctrinatie; of impliciet, door voorbeeldwerking, via waarnemingen van gedrag en interactie van derden, bijvoorbeeld in opvoeding of opleiding, die we internaliseren. Hoe dan ook, de cruciale schakels die bepalen of en op welke manier externe prikkels tot interne invloeden leiden op denken, voelen en reageren, bevinden zich binnen het psychische systeem van ieder individu afzonderlijk.
"Outcomes are determined at the psychological level, not at the social level" (Lankton & Lankton, 1983).
(b)

Waarheidsbeweringen zijn belangrijk in psychotherapie.


De functies van 'interne' waarheidsbeweringen worden bijvoorbeeld doelbewust benut in de context van cognitieve psychotherapie, methoden zoals Rationeel-Emotieve Therapie. Mensen kunnen leren om hun eigen gedachten door middel van kritische zelfreflectie gade te slaan en te evalueren op criteria voor 'rationaliteit', zoals waarheidsgehalte, waarschijnlijkheid, realisme, effectiviteit, relevantie, en dergelijke. Waar deze gedachten 'irrationeel' zijn, in de zin dat ze problemen opleveren, op emotioneel, gedragsmatig of sociaal vlak, daar kan de betrokkene ze toetsen, weerleggen, corrigeren of vervangen door meer rationele alternatieven. De crux van deze zelfcorrectie is dat men zichzelf werkelijk weet te overtuigen van deze alternatieve innerlijke waarheidsbeweringen. Dit blijkt in veel gevallen goed mogelijk, met weldadig therapeutisch effect tot gevolg op welbevinden, zelfgevoel en functioneren. In feite geldt deze methode als ťťn van de meest effectieve - en vooral, op langere termijn betrouwbare - op het vakgebied van psychotherapie. }

Met het oog op de sociale functie van waarheidsbeweringen hebben postmodernisten een aantal sociaal-gerelateerde criteria voor waarheidstoekenning voorgesteld.

(2.1)

De mate van bijval - als criterium voor waarheid.


Wanneer meningen in het sociale speelveld worden gebracht, wordt al snel het criterium van 'sociale legitimatie' gehanteerd om beweringen te beoordelen. Naarmate een mening door meer anderen gesteund wordt, heeft ze volgens dit principe - deze drogreden - meer ' draagvlak', en wordt daardoor als het ware meer 'waar'.

(2.2)

'De massa' - als maat voor waarheid.


Naarmate meer mensen zich ergens mee bemoeien, wordt de kans groter dat een nieuw en waardevol idee naar voren komt. De veronderstelde 'wisdom of the crowd'. Dit is de gedachte achter het concept crowd-sourcing.
"Niemand is slimmer dan allen samen" (Kevin Kelly, in: VPRO Tegenlicht, 24-1-2011).
{

Kanttekeningen.

Problemen met deze opvatting:
(a)

Kansverhoging door combinatie werkt ook individueel.


De voorwaarden om een nieuw en waardevol idee kunnen velerlei zijn. Een slag in de lucht kan een gelukkige toevalstreffer opleveren. Bij het lukraak, in brainstorm combineren van allerlei ideeŽn en invallen, hoeft soms maar ťťn kleine, simpele denkstap te worden gemaakt om tot een nieuw, interessant inzicht te komen. Zo bezien zal met het toenemen van het aantal meedenkers de kans groter worden op een goed idee.
Hetzelfde kan echter ook op individueel vlak gebeuren. Menige expert die grondig is ingewerkt in een bepaald vakgebied heeft weleens meegemaakt dat alle opgebouwde kennis en ervaring plotseling, als bij toverslag, tot een nieuw, baanbrekend en - althans op dat moment - briljant inzicht leidt: de bekende Aha Erlebnis. Het nieuwe inzicht is als het ware 'voorgekookt' vanuit bestaande cognities en ongoing onbewuste bewerkingsprocessen, een soort interne brainstorm, het geheel dat we vaak 'intuÔtie ' noemen.
(b)

Informatiewaarde volgt niet uit kwantiteit.


Voor een goed idee is in het algemeen eerst gedegen kennis en inzicht nodig over het betreffende gebied, op zijn minst van empirische, maar ook van causale, semantische, logische, en andere aard.
Deze kennis bestaat dus niet uit louter de hoeveelheid 'losse' kengegevens, maar uit een netwerk waarin die gegevens onderling in complexe en meervoudige relaties staan.
Om deze kennis te kunnen toepassen en te 'kneden' tot vernieuwende ideeŽn, deze kennis te kunnen overzien, te begrijpen en te doorgronden in al haar facetten, nuances en verbanden. Daarvoor is niet simpel een grote massa mensen voldoende, maar een minimum aan intelligentieniveau - in de bij behorende soort van intelligentie.
Doorslaggevend voor de gebruikswaarde van kennis, waaronder de 'nieuwheid' en toegevoegde waarde van nieuwe inzichten, is dus kwaliteit, en die kan niet louter via 'domme' kwantiteit worden verkregen.
}

(2.3)

De mening van de meerderheid - als criterium voor waarheid.


'Het perspectief van de burger' wint al helemaal aan geldingskracht wanneer een meerderheid in een groep of samenleving ze huldigt, zodat ze populair, modieus, bon ton en salonfšhig wordt. Kortom, 'waarheid' moet democratisch zijn, en 'eigentijds'. Hier herkennen we de drogreden 'De meerderheid als maat' het 'democratisch gelijk', of de ' democratische waarheid' ('majority rules').

(2.4)

Consensus - als criterium voor waarheid.


Het beoogde eindresultaat van overreding is veelal een wederzijds begrip, intersubjectieve overeenstemming, een gedeelde zienswijze (consensus, sensus communis, communis opinio) over een bepaalde zaak of kwestie. In de consensus theorie wordt consensus verheven tot het enige en afdoende criterium voor waarheid. Alleen wanneer een gezaghebbende groep, zoals een academische gemeenschap, zich unaniem achter een opvatting schaart, kan die de status van toelaatbare 'kennis' krijgen. De 'waarheid' van een idee bestaat dus bij de gratie van de rechtvaardiging (justificating) die een groep eraan geeft.
"The opinion which is fated to be ultimately agreed to by all who investigate, is what we mean by the truth, and the object represented in this opinion is the real. That is the way I would explain reality." (Peirce & Houser, 1992: 139).
"We know how we justify beliefs, we know that the adjective true is the word we apply to the beliefs that we've justified, and we know that a belief can be true without being justified, that's about all we know about truth.
Justification is relative to an audience and to a range of truth candidates; truth isn't relative to anything. Just because it isn't relative to anything there's nothing to be said about it. Truth with a capitol "T" is sort of like God, there's not much you can say about God, and that's why many theologians talk about ineffability and so on.
" (Richard Rorty, speaking about truth and pragmatism, taken from 'Of Beauty and Consolation' (Part 23), Wim Kayzer, Dutch TV, VPRO 2000. Richard Rorty, 'The end of inquiry', interview).
{

Kanttekeningen.

Problemen met deze benadering:
(a)

Consensus is niet altijd het belangrijkste doel van waarheidsbeweringen.


Verwijzingen naar waarheid, zoals die in communicatie en argumentatie in de praktijk veelvuldig gedaan worden, kunnen in collectief belang zijn, om misverstanden, misvattingen en meningsverschillen op te lossen.
Maar het kan ook heel prozaÔsch, uit eigenbelang zijn, zodat eigen ideeŽn door anderen zullen worden geaccepteerd en onderdeel worden van hķn gedachtengoed. De consensus die in dat geval het streefdoel vormt, is dus louter instrumenteel van aard, ingezet pour besoin de sa cause, en op geen enkele manier gerelateerd aan 'waarheid' als inhoudelijk streefdoel of behaald resultaat.
(b)

Consensus bestaat niet noodzakelijk uit 'echte' waarheidsbeweringen.


Waarheidsbeweringen hoeven uiteraard niet altijd oprecht en welgemeend te zijn. Overtuigingen kunnen worden geveinsd of gesimuleerd. Dat geldt net zo goed als ze collectief gedeeld, beaamd of gehuldigd worden. Als uit gelijkluidende uitlatingen een eventuele consensus spreekt, zegt dat dus niet per se iets over een 'werkelijke' eensgezindheid. De vraag blijft open of het meer behelst dan een min of meer toevallige symfonie van stemmen, een al dan niet gezamenlijke 'lippendienst'. Het zegt al helemaal niets over het waarheidsgehalte van de inhoud.
(c)

Consensus-criterium vereist feilloze communicatie.


De consensus theorie vooronderstelt bovendien dat ideŽen of gedachten via communicatie ongeschonden, dus met geheel identieke inhoud, door mensen kunnen worden uitgewisseld. Dat vereist een perfecte informatie-overdracht.
(c1)

Consensus is niet feilloos.


Menselijke communicatie is veel te feilbaar en fuzzy om feilloze informatie-overdracht mogelijk te maken. Daardoor is consensus nooit volledig te verifiŽren.
(c2)

Consensus is zelden volledig.


We zien binnen een willekeurige cultuur - op micro tot macro-niveau - zelden of nooit een volledig consistente, uniforme, homogene consensus over waarheidsbeweringen, afgezien van sterk kunstmatige vormen, zoals doctrines in totalitaire systemen, zoals sekten, strenge religies en dictaturen.
Er zijn altijd wel eigenzinnige, creatieve, onafhankelijke geesten, die zich niet conformeren maar hun eigen waarden kiezen en ideeŽn vormen, afwijkend van de stereotype mainstream doelen en standaard denkschema's.
(c3)

Consensus-criterium wringt met onvermijdelijke uniekheid.


Bovendien is volledige identiteit van denkbeelden tussen mensen onmogelijk. Alle factoren in het menselijk functioneren hebben uiteindelijk, tot op het kleinste detail, een unieke constitutie: vanuit een zeer complex samenspel van - eveneens complexe - psychologische factoren, zoals genetica en fysiologie (zij het minder tussen identieke tweelingen), levensgeschiedenis, verzamelde kennis en informatie, aangeleerde vaardigheden, en geconditioneerde reactiepatronen.
(d)

Consensus is niet nodig voor waarheidstoekenning.


Het idee dat consensus een noodzakelijke voorwaarde is voor elk begin van waarheidsgehalte van opvattingen of beweringen, veronderstelt dat elk idee of gedachte met enig 'waarheids'gehalte, uitsluitend sociaal gedeeld wordt.
Dit impliceert dat zo'n idee altijd minstens twee 'aanhangers' heeft, dus nooit uniek kan zijn. Dat is duidelijk absurd.
(d1)

Consensus is niet nodig voor innovatie.


Het is in de geschiedenis veelvuldig voorgekomen dat eenlingen ver vooruit liepen op de rest met aantoonbaar superieure inzichten.
Waarheidsvinding is niet simpelweg een continu proces van noeste arbeid, van onderzoek, experiment, werk in laboratorium of kantoor. Het is geen conflictvrije activiteit in een machtsvacuum; maar een constant gevecht; allereerst een strijd met de demonen van menselijke geest, de talloze neigingen tot zelfbedrog; maar meer nog: een strijd met de dictatuur en terreur van de sensus communis, de Mythos (vgl. Pirsig, R.M., 1974, 'Zen and the Art of Motorcycle Maintenance: An Inquiry Into Values').
(e)

Consensus is geen garantie voor waarheidstoekenning.


Het idee dat consensus een voldoende voorwaarde is voor elk waarheidsgehalte van opvattingen of beweringen, veronderstelt dat onderlinge overeenstemming 'automatisch ' zorgt voor hoogwaardige informatie.
(e1)

Consensus staat bloot aan bias van sociale processen.


Hoe dan ook wordt kennis in de consensus theorie nooit mťťr dan de inhoud van min of meer toevallige consensus, een puur sociaal verschijnsel. Als zodanig wordt consensus dus volledig bepaald door een mengsel van extrinsieke factoren, het complexe spel van sociaal-psychologische processen en tendenties. Deze zijn typisch doortrokken van bronnen van bias, misverstanden en drogredenen. Hierdoor kan er geen betrouwbare afleidingsrelatie bestaan tussen consensus en een inhoudelijke waarheid van 'gedeelde' ideeŽn en opvattingen.
"It is naively assumed that the fact that the majority of people share certain ideas and feelings proves the validity of these ideas and feelings. Nothing could be further from the truth. Consensual validation as such has no bearing on reason or mental health.".
(Erich Fromm, 'Escape from Freedom', Farrar & Rinehart, 1941, pp.257).
(f)

Consensus is volgens het postmodernisme niet kenbaar.


Als consensus eenmaal wordt bereikt is het de vraag welke status het op dat moment toekomt. Volgens het postmodernisme moet het hoe dan ook enige kennis of informatie behelzen.
Maar hierin schuilt opnieuw een paradox, want beide zijn volgens het postmodernisme onmogelijk.
(f1)

Consensus als empirisch verschijnsel: is ontoegankelijk.


Als het verschijnsel consensus tot de algemeen toegankelijke werkelijkheid behoort, het domein der realia, dan kan het onmogelijk in een postmodern kader worden gehanteerd, want daarin zijn realia niet toegankelijk voor enige objectieve waarneming of zinnige, dat wil zeggen, niet-lukrake interpretatie. Niemand kan er kennis van nemen, dus kan het geen oplossing bieden.
(f2)

Consensus als kennis: is onhaalbaar.


Als consensus inhoudelijke kennis omvat, dan heeft dat in het postmodernisme geen betekenis. Kennis wordt immers - als we het in letterlijke zin opvatten als informatie met enig waarheidsgehalte - volgens postmoderne premissen onhaalbaar geacht. De kennis inhoud staat daarbij los van een relatie met enige objectieve structuur in de werkelijkheid daarbuiten met betrekking tot het onderwerp zelf.
Wanneer consensus alleen informatie bevat, los gezien van enig waarheidsgehalte, dan kan ze wegens de eerdere twee redenen voor de betrokkenen noch voor derden kenbaar of herkenbaar zijn. Dit betekent uiteraard dat de intersubjectieve overeenstemming, die aan de grondslag ligt van consensus, eveneens onmogelijk is. Daardoor wordt consensus als criterium voor aannemelijkheid van kennis uitgesloten.
}

(2.5)

Consensus - als criterium voor logische validiteit van argumenten.


Het consensus criterium heeft al gauw een dominante plaats verworven in talrijke wetenschappelijke vakgebieden. Zelfs een gebied dat vanouds vooral leunde op de logica zoals de argumentatietheorie.
"Argumentatie wordt in de pragma-dialectische argumentatietheorie opgevat als een vorm van taalgebruik die deel uitmaakt van een mondeling of schriftelijk communicatieproces dat er in principe op gericht is een verschil van mening tot een oplossing te brengen." [..]
"Elke overtreding van ťťn van de [discussie]regels bemoeilijkt het oplossen van een verschil van mening en wordt daarom als een 'drogreden' aangemerkt."
De inhoud van het verschil van mening is hierbij uiteraard in principe niet van belang, evenals de inhoud van de gevonden oplossing, d.i. de specifieke teneur of portee van de gezochte overeenstemming.
{

Kanttekeningen.

Problemen met deze benadering:
(a)

Consensus-streven nodigt uit tot drogredenen.


Het streven naar consensus is absoluut geen antidotum tegen denk- en redeneerfouten, oftewel drogredenen. Integendeel, het stimuleert talrijke tendenties die tot bias in de oordeelsvorming leiden - zoals veelvuldig in sociaal-psychologisch onderzoek aangetoond.
De nadruk op consensus, het eenzijdig aansturen op overeenstemming, leidt gemakkelijk tot het verdoezelen van verschillen, het voorop stellen van wederzijdse bevestiging, en het dwingend opleggen van loyaliteit. Het werkt anders gezegd een overmatige tendens tot conformisme in de hand (Adorno, T.W. etal., 1950), ook bekend als ' Kuddegeest'. Deze richt zich typisch naar de toevallige, lokaal dominante cultuur, de mainstream. Hierdoor krijgen de minst controversiŽle inhouden voorrang: de vigerende percepties en concepten, idioom en jargon, conventies en tradities, hypes en trends, modes en rages, dogma's en 'heilige huisjes', enz.. Het leidt op dezelfde manier tot taboeÔsering, censuur en sancties tegenover afwijkende standpunten. Dat zet de deur wijd open voor circulariteit en conservatisme.
Het gebruik van consensus als richtsnoer voor orrdeelsvorming heeft de laatste decennia dan ook op grotere schaal enorme gevolgen gehad, voor het algemene sociale, maatschappelijke en politieke klimaat, zelfs in de sociale en literaire wetenschappen. Het heeft geleid tot een vrijbrief voor retoriek, en evenredig dťdain voor de wetten van de logica. Hierdoor ontstaan gemakkelijk allerlei bekende drogredenen. De belangrijkste hiervan is wel die van het populisme, die in de grond berust op beroep op bijval van het publiek (argumentum ad populum). Kenmerkende ingrediŽnten hiervan zijn het vertolken van de - vermeende - 'stem des volks' (vox populi), het bespelen van de wil van de massa (mob appeal), het aanspreken van de 'onderbuik' (Gesundes Volksempfinden), het selectief uitvergroten van het negatieve, het aanjagen van sentimenten en opzwepen van ressentimenten (argumentum ad passiones; Pathetic/ Affective fallacy).
Via zulke drogredenen en retorische trucs stimuleert het Group think dynamiek, Ingroup- Outgroup polarisatie, machtsmachinaties, stemmingmakerij, propaganda, indoctrinatie, demagogie en massamanipulatie. Kort gezegd, alles, behalve het accuraat analyseren van problemen om ze op te lossen.
"In vormgeving, kunst en filosofie staat het postmodernisme voor een ontkenning van absolute, universele regels, wetten en waarden. [..] Het kan leiden tot het te gemakkelijk opgeven van argumentatie en tot een overgave aan subjectiviteit. Retoriek dringt zich op naast of zelfs boven de logica. Als er geen universele waarheid is, dan heeft misschien iedereen gelijk die het krijgen kan, en dan misschien met andere middelen dan [valide] argumenten." (B. Nooteboom, hoogleraar bedrijfskunde, RU Groningen, de Volkskrant, 22-02-1992).
(b)

Corrigeren van drogredenen vereist vaak doorbeken van consensus.


Omgekeerd blijkt het doorbreken van consensus vaak nodig voor het doorbreken van drogredenen.
}

(2.6)

'Het debat' - als weg naar waarheid.


Omdat consensus een nogal vluchtig, en vaag afgebakend verschijnsel is, werd de nadruk in het postmodernisme al gauw verlegd naar het on-going proces waardoor consensus steeds opnieuw tot stand komt, wordt herzien en zich ontwikkelt. Om enige consensus te bereiken vereist uiteraard de nodige communicatie: discussie, debat, conversatie, dialoog, discours, met name het 'vertoog' onder vakgenoten.
".. uit de schok van botsende meningen ontspruit de waarheid.". (Gerard Spong, geciteerd door: Sidney Smeets, 'Strafrechtadvocaten zijn niet verplicht 'waarheid' te zoeken', de Volkskrant, 01-06-2013).
{

Kanttekeningen.

Deze beoogde oplossing is echter, ook geredeneerd vanuit het postmoderne gedachtengoed, van meerdere kanten problematisch.
(a)

Het 'debat' vooronderstelt al enige consensus.


Allereerst vereist - en vooronderstelt - elke zinnige communicatie bij voorbaat al enige consensus, op zijn minst over teken-betekenisregels, oftewel kennis van een taal die door de deelnemers gedeeld wordt. Maar ook zal meestal een minimum aan consensus nodig zijn, om al te veel onnodige misverstanden en meningsverschillen te voorkomen, over sociale en morele waarden en doelen, normatieve regels en codes, en dergelijke. Dit volgens het oude adagium uit de communicatietheorie: 'Je moet het met elkaar eens zijn om met elkaar van mening te kunnen verschillen'.
Maar die voorafgaande kennis is volgens het postmodernisme zinloos en nutteloos - evenals alle andere kennis en informatie, waaronder ook de beoogde inhoudelijke consensus. We zouden volgens deze gedachte dus steeds helemaal opnieuw moeten beginnen met het vinden van consensus over een gemeenschappelijke taal. Maar daarvoor zouden we elke keer weer opnieuw zijn aangewezen op communicatie, terwijl we daar om te beginnen al geen taal of kennis voor zouden kunnen hebben. En daarmee zouden we dus gevangen zijn in een eeuwige vicieuze cirkel: terug bij het bekende noodlot dat solipsisme brengt.
We kunnen de noodzakelijkheid van consensus voor communicatie overigens ook niet omkeren. Communicatie, interactie of samenwerking vereisen niet altijd, op alle vlakken, in volledige mate, onderlinge overeenstemming.
(b)

Het 'debat' in postmoderne stijl leidt tot onafzienbare fragmentatie.


Maar stel dat we er in zouden slagen om in een geschikte taal de discussie te voeren, dan is er een ander probleem om de beoogde consensus inhoudelijk te realiseren.
Het postmodernisme maakt zich sterk voor radicale scepsis. De aversie tegen 'absolute waarheden' heeft geleid tot een welhaast rigoureus antidogmatisme, bijvoorbeeld in absolutistische vormen van ethisch relativisme. Hierdoor nam een klimaat toe van nihilisme, cynisme en amoraliteit (dat wil zeggen: de volstrekte irrelevantie van elke moraliteit). Vanuit de geest van antidogmatisme eist elke mening tegenover elke andere de heerschappij op: elk op gelijke dogmatische wijze. Het absolute taboe op alles wat riekt naar dogmatiek verwordt daarmee zŤlf tot een dogma.
Wanneer het antidogmatisme in absolute zin wordt opgevat x!--[ ]--> Hierdoor gaat het in 'discussies', voor zover die deze naam mogen hebben, met name via de sociale media, hoofdzakelijk om het krijgen van het eigen Gelijk. Discussie en debat worden gedomineerd door retorische trucs. Sterker, vrijwel alle handboeken op dit gebied stellen dit als enig mogelijke of althans zinnige vorm van gedachtenwisseling. Er wordt volop gestrooid met 'handige' tips en technieken voor het winnen van het debat, het vermijden van concessies en compromissen, het overtroeven van de gesprekspartner en het bespelen van het publiek.
De extreem geÔndividualiseerde meningsvorming gaat uiteraard lijnrecht in tegen elke zinnige opvatting van het begrip consensus. Hierdoor is een 'debatcultuur' ontstaan die een enorme paradox in zich draagt: enerzijds wordt consensus als ťnig mogelijke criterium van validering van ideeŽn beschouwd, anderzijds wordt individuele profilering als hoogste goed gezien, waardoor consensus haast onmogelijk wordt. Het gevolg is dan ook een razendsnelle divergentie in denkpatronen, een enorme fragmentatie van maatschappelijke verbanden, en onafzienbare differentiatie van opvattingen, oftewel versnippering van consensus. Het wordt hierdoor buitengewoon lastig, zo niet welhaast onmogelijk, om nog tot enige (nieuwe) consensus te komen die wat om het lijf heeft. Waardoor gaandeweg elk draagvlak voor bestuur en rechtsorde erodeert en afbrokkelt.
"De vrijheid van meningsuiting komt voort uit de gedachte dat je alleen een vreedzame, geordende samenleving krijgt als je een competitie van ideeŽn hebt. Maar van een middel om democratie te bevorderen, is het veranderd in het hoogste individuele recht. Zonodig ten koste van anderen.[..] Veel Nederlanders denken: ik ben pas echt vrij als ik alles kan zeggen wat ik denk.'". (Sybrand van Haersma Buma, in: E. van Outeren, T. Niemantsverdriet, M. Doomernik, 'Nog even en iedereen is boos op iedereen', NRC, 4 juni 2016, p.13).
"Ronduit zorgelijk is de totale ineenstorting van consensus.". (Stťphane Alonso, 'Het einde van de redelijkheid', NRC, 7 mei 2016).
(c)

Het 'debat' in postmoderne stijl leidt tot ultra-simplisme.


Mensen hebben toch informatie nodig, noem het 'houvast', en nemen temidden van alle ontstane fragmentatie en chaos hun toevlucht tot het uiterste redmiddel dat nog zekerheid biedt, het meest extreme tegendeel van twijfel: ultra-simplisme. Meningen kunnen alleen nog in ultra-simplistische denkschema's gedeeld worden: de hele wereld opgedeeld in twee schoenendozen: ja/nee, voor/tegen, enz..
"Na de val van de Muur zijn we gestopt met nadenken.[..] Wij hadden immers 'gewonnen'. De rest van de wereld zou worden als wij: democratisch, individualistisch, vrij.". [..] Europa zit in een intellectueel vacuŁm. Wat overblijft, is wanhopig gekrijs.". (Caroline de Gruyter, 'Europa vult zijn leegte met wanhopig gekrijs', NRC, 28 mei 2016).
(d)

Vrije meningsuiting zonder grenzen kan leiden tot onderdrukking.


Maar ook als het lukt om via discussie en debat enige consensus te bereiken, dan is het nog steeds de vraag wat deze eigenlijk behelst. In het ideale geval zou dit een democratisch tot stand gekomen 'gemeenschappelijk oordeel' moeten zijn. Het blijft vaag waar dit uit moet bestaan: consensus, meerderheidsoordeel, gemiddelde, of een andere mix.
Wanneer democratie steunt op het absolute recht op vrije, ongeremde meningsuiting, komt alle macht te liggen bij de groep met de grootste gemene deler, de main-stream consensus. De wens van de meerderheid krijgt zo'n onaantastbare status dat die uiteindelijk de uitingsvrijheid van minderheden kan gaan beperken. Ook de vrije meningsuiting brengt dus een paradox met zich mee.
"Zij die de vrijheid hoogachten, kunnen ongewild geneigd zijn om van de politieke consensus een totalitair referentiekader te maken voor ons ethisch en moreel oordeel. Omdat er geen transcendente waarden mogen bestaan, is er alleen het vrije spel van politieke concurrentie. De waarheid is die van de meerderheid.". (Herman Van Rompuy, 'Zelfbeschikking bestaat niet', Trouw, 17-10-2009).
}
{Nb. Een protagonist van deze zienswijze is bijvoorbeeld:
(·) Jean-FranÁois Lyotard (1924-1998): kennisgebieden, wetenschap maar ook politiek, ethiek, etc., zijn te beschouwen als genres de discours. Deze hebben elk hun eigen regime, spelregels van methode, sociale codes voor gedrag, communicatie en taalgebruik. Die zijn tot op het kleinste detail fundamenteel heterogeen, en zijn continu onderhevig aan discussie en herziening. Geen hiervan is herleidbaar tot een andere, en geen kan op enig moment een claim op 'waarheid' of 'vooruitgang' doen.
(Lyotard, J-F., 1979, 'La condition postmoderne. Rapport sur le savoir'; Ned. vert.: 1987, 'Het postmoderne weten. Een verslag').
}

(3)

Het historicisme: paradigma - als criterium voor waarheid.


Het historicisme combineert de coherentie theorie, het contextualisme en de consensus theorie, en plaatst deze in historisch perspectief.
Thomas S. Kuhn (1922-1996), fysicus, historicus, wetenschapsfilosoof, bepleitte in 'The Structure of Scientific Revolutions', 1962, het idee dat wetenschap niet geleidelijk evolueert, volgens rationele stappen die vervolgens kunnen worden begrepen met logische reconstructies door wetenschapsfilosofen.
In plaats daarvan vindt 'vooruitgang' alleen plaats binnen en afhankelijk van een heersend paradigma, een tijd- en context- gebonden consensus binnen de sociale verhoudingen tussen (gezaghebbende) wetenschappers binnen het betreffend vakgebied.
Wanneer nieuwe ontdekkingen en inzichten worden erkend terwijl ze niet (meer) met dat paradigma verenigbaar zijn, kan een crisis ontstaan, een breuk met de traditie, waarna een paradigmawisseling kan volgen. Hierdoor verloopt de ontwikkeling van wetenschap grillig, schoks- en sprongsgewijs.
{

Kanttekeningen.

Er zijn echter aanzienlijke problemen met deze historische benadering van kennisontwikkeling.
(a)

Historische verklaring: mist controleconditie.


Geschiedschrijving is redelijk mogelijk als het beperkt blijft tot beschrijvend verhalen van feitelijke gebeurtenissen langs de tijdlijn, die in meerdere, betrouwbare bronnen op basis van onafhankelijke getuigenissen zijn vastgelegd. Maar wanneer het verleden interessant wordt om lessen uit te trekken, gaat het om verklaringen van historische gebeurtenissen uit hun toenmalige oorzaken. Een algemeen probleem met historische verklaringen is echter dat ze - per definitie - zijn aangewezen op causale inferentie in retrospectief, met andere woorden, subductie. Dit vereist het aantonen dat de veronderstelde oorzaak een unieke bijdrage leverde oftewel inherent was aan het gevolg; dus dat disjuncte factoren geen rol speelden. Om dat aan te tonen is een deugdelijke controleconditie nodig.
Er is in de kenbare geschiedenis echter alleen een tijdlijn van 'positieve' gebeurtenissen waarneembaar, dus alleen een experimentele conditie, zonder controleconditie.
Er kan uiteraard geen controleconditie alsnog 'toegevoegd' worden, als het ware achteraf in de geschiedenis worden 'gewrongen', dus deze lacune is op zichzelf onoplosbaar.
Maar dit probleem kan redelijk worden ondervangen door een controleconditie achteraf min of meer ' ad hoc' na te bootsen (te simuleren).
Hiervoor zijn globaal drie mogelijkheden:
(1)

Aantonen van evidente werkzaamheid van causale mechanismen in dezelfde situatie.


Causale verklaringen van historische gebeurtenissen zijn zonder controleconditie vaak alleen redelijk valide afleidbaar in gevallen waarin de meest simpele, bewezen mechanismen aan het werk zijn. Bijvoorbeeld, een bommenwerper gooide brandbommen op een stad, die daarna in brand vloog. Er blijft echter het risico dat niettemin een alternatieve factor doorslaggevend was: bijvoorbeeld, de bommen vielen in een rivier terwijl de stad daadwerkelijk door paratroepers in brand werd gezet.
(2)

Vergelijking met andere situaties onder ceteris paribus.


De eerste optie is te toetsen of in vergelijkbare situaties ceteris paribus inderdaad het veronderstelde effect achterwege bleef (dat wil zeggen, na een vergelijkbare latentietijd). We zoeken hiervoor naar zoveel mogelijk overeenkomstige historische situaties met zo min mogelijk verschil in ruimte, tijd en andere kenmerken, behalve ťťn: afwezigheid van dezelfde veronderstelde oorzaak. Uiteraard kan dit een lastig karwei zijn, temeer omdat die, net als alle andere historische situaties, typisch zeer complex zijn, in wezen uniek, en in principe niet volledig te achterhalen.
Soms is er sprake van een 'valse' controleconditie: bijvoorbeeld, gegevens die zeggen dat een factor X in situatie A een effect Y (niet) had, worden gebruikt om te 'bewijzen' dat deze werking in een situatie B op dezelfde wijze zal plaatsvinden - waarbij niet duidelijk is dat situaties A en B onderling vergelijkbaar zijn. Bijvoorbeeld, een bommenwerper gooide brandbommen op een stad, die daarna nŪet in brand vloog: 'dus' de brandbommen waren onschadelijk en het bombardement acceptabel.
(3)

Alsnog uitsluiten van alternatieven in dezelfde situatie onder ceteris liberis.


De tweede mogelijkheid is aan te tonen dat de onderzochte historische situatie eigenlijk tegelijk als een controleconditie kan worden opgevat. Dat wil zeggen, dat alle denkbare veronderstelde alternatieven destijds in die situatie vrij spel hadden: onder ceteris liberis (niet waren geÔsoleerd, gefixeerd, enz.).
Helaas geven historici zelden blijk dat zij in hun causale analyses met deze aspecten rekening houden. Hierdoor vervallen historische verklaringen al gauw in de aloude drogreden 'na dit, dus vanwege dit' (posty hoc ergo propter hoc).
(b)

Historische causaliteit: kent onafzienbare complexiteit.


Het tweede probleem ligt in de complexiteit van de processen en 'mechanismen' die in causaliteit van historische gebeurtenissen betrokken kunnen zijn. De causale schakels kunnen hierin op alle relevante niveaus in de werkelijkheid, ook de historische, op elke schaal, van micro tot macro in het spel zijn: individueel somatisch, neurofysiologisch en psychologisch, sociaal, cultureel en maatschappelijk. Deze schakels kunnen niet alleen in enorme aantallen, maar ook in dichte onderlinge verwevenheid van talrijke ketens en netwerken een rol spelen. Via combinatorische explosie ontstaat hierdoor een complexiteit die in kwantitatieve zin van extreme, astronomische proporties is, en daardoor kwalitatief maar in heel beperkte mate vatbaar voor valide causale analyse. De historici zien we echter zelden rekening houden met deze problemen, en opvallend vaak gebruik maken van al te eenvoudige denkschema's van historisch determinisme, zoals massa-gedachtelezen en massa-gedragsvoorspelling in retrospectief; waardoor hun verklaringen vaak in hoge mate arbitrair zijn en een hoog speculatief en modieus gehalte hebben.
(c)

Paradox van historicisme met constructionisme.


Een postmoderne kennistheorie die zich op historische ontwikkeling baseert vormt bovendien een paradox met het al genoemde constructionisme, volgens welke elke beschrijving en verklaring niet meer dan een constructie is van het kennende subject. In dat geval heeft het historicisme immers geen meerwaarde boven elke andere willekeurige (re)constructie.
"Het verleden is reconstructie van de historicus, en heeft met de werkelijkheid niets te maken." (Hayden White, 1975).
}.

(4)

'Waarheid' - heeft (altijd) uitsluitend een functie in taal en communicatie.


Sociaal-culturele conventies en tradities vinden hun weerslag in de gangbare 'natuurlijke taal' van een sociale groep.
Taal is daardoor in bepaalde mate als een 'spiegel' (weliswaar een vervormende), van de cultuur van de taalgebruikers, de intersubjectieve belevingswereld, het geheel van intersubjectief aanvaarde waarnemingswijzen, collectieve normen en waarden, sociale contracten en 'spelregels', machtsstructuren, conventies, rituelen en tradities. Op deze manier heeft een taal behalve als communicatiemiddel, ook een 'conserverende' functie.
Elke taal die te onderscheiden is van een andere omvat een eigen systeem van informatie en kennis. Ze kent in de semantiek concepten en denkbeelden, en in de syntax termen en uitdrukkingen, die specifiek, en in veel gevallen uniek zijn voor die taal. In een natuurlijke taal kunnen die onderscheidingen bovendien specifiek zijn voor gebruikers van die taal en hun (sub )cultuur.

(4.1)

Taal - als kennisdrager.


Taal kan worden beschouwd als openbare, maatschappelijk-culturele 'kennisdrager', als het ware een collectief geheugen of databank: de door jaren en generaties heen verzamelde percepties van een groep of samenleving.
Uiteraard wordt de kennis of informatie die in een taal 'bevat' is, pas toegankelijk en kenbaar zodra die taal verstaan dan wel 'vertaald' kan worden; dus als de regels van die taal - idioom, syntax, semantiek - voldoende bekend zijn en beheerst worden.
Bijvoorbeeld, bij het horen van het woord 'papegaai' zullen we pas aan een papegaai denken, als we weten wat het woord 'papegaai' betekent.
{

Kanttekeningen.

(a)

Representatie van kennis in taal blijkt tegen te vallen.


Bij de 'neerslag' van kennis in taaluitingen spelen talrijke mechanismen een rol waardoor taal een reducerend en vertekenend effect heeft op de weergegeven informatie. Taal als zodanig vormt dus niet een heel betrouwbaar medium om informatie in weer te geven.
Zie voor een aantal voorbeelden: Beperkingen van menselijke kennis en oordeelsvorming; 7. De invloed van ver-taling op informatie.
(b)

Differentiatie van idioom blijkt mee te vallen.


Een bekend voorbeeld zijn de Inuit (Eskimo's) die volgens linguÔsten en anthropologen, vanwege hun leefomgeving veel meer woorden voor verschillende soorten sneeuw zouden hebben: vier (Franz Boas, 1911, 'Handbook of American Indian languages'), of minstens 7 (Benjamin Lee Whorf, 1940, 'Science and Linguistics'), en in latere publicaties wel 20, 50 of 100. Deze gedachte sprak velen aan en is een geheel eigen leven gaan leiden.
Het is echter aangetoond dat dit vooral samenstellingen betreft, die in aantal niet veel verschillen van onderscheidingen in bijvoorbeeld het Engels. Uiteindelijk blijken er in Inuit-talen twee (!) stamwoorden voor sneeuw: 'qanik' (vallende sneeuw) en 'aput' (sneeuw op de grond). (Zie o.a. Laura Martin, 1986, 'Eskimo Words for Snow'; Pinker, S. 1994, 'The Language Instinct'; Bauer,L., Holmes,J., Warren, P., 2006, 'Language Matters', p.72-81).
}

(4.2)

Taal - als bron van betekenisgeving.


Het leren gebruiken van een taal betekent het enigszins 'internaliseren' van het bijbehorende begrippenstelsel, en het overeenkomstig aanpassen en uitbreiden van de eigen denk- en belevingswereld. Daarom wordt aan de taal soms een bijzondere, bepalend rol toegekend in het ontstaan van percepties en denkbeelden.
"In large part, our personal meanings come to us through participation in our language community. We engange in the proces of communication and learn the labels and associated meanings for everything with which we have to cope." (Lowery, S.A., & DeFleur, M.L., 1988, p.28).
"Different cultures might have different sources of autority for establishing their shared understanding but establishing some form of shared understanding is a basic function of a culture" (e.g. Tomasello 1999).

(4.3)

Taalvorm: - als criterium voor realiteitsgehalte.


Een stap verder gaat het idee dat taal en cultuur volledig bepalend zijn voor het gehele bereik van beleving en betekenis, denken en gedrag. We ziet dit bijvoorbeeld in de linguÔstische relativiteits-hypothese of Sapir-Whorf hypothese (Linguistic Relativity Hypothesis, E. Sapir, 1929, 1963; B.L. Whorf, 1940, 1956).
"It is impossible to say what an individual [in a particular culture] is doing unless we have tacitly accepted the essentially arbitrary modes of interpretation that social tradition is constantly suggesting to us from the very moment of our birth." (E. Sapir, 1963).
Een implicatie van het voorgaande is dat Ťlke kennis pas mogelijk wordt door middel van en dankzij een taal. Met andere woorden: de grenzen van iemands taal zijn in dat geval de grenzen van zijn of haar werkelijkheid.
Bijvoorbeeld, bij het zien van een papegaai, in het wild of in een kooi, kunnen we alleen weten dat het een papegaai betreft (dat wil zeggen, een vogel van de orde van Psittaciformes, papegaaiachtigen) - en geen duif, olifant of auto - als we het woord 'papegaai' kennen Ťn wat het betekent.
"The society would not have invented the whole concept [of truth] would it not serve some kind of function in our language games." (Wittgenstein, 1953).
"The background linguistic system (in other words, the grammar) of each language is not merely a reproducing instrument for voicing ideas but rather is itself the shaper of ideas, the program and guide for the individual's mental activity, for his analysis of impressions, for his synthesis of his mental stock in trade. [..] We cut nature up, organize it into concepts, and ascribe significances as we do, largely because we are parties to an agreement to organize it in this way - an agreement that holds throughout our speech community and is codified in the patterns of our language." (Whorf, B.L., 1940; 1956; 'Language, Thought, and Reality', p.212-214).
"In de wereld lezen wij onbewust de structuur van de taal die wij gebruiken" (Korzybski, 1948, p.35).
{

Kanttekeningen.

Enkele tegenwerpingen:
(a)

Perceptie kan zonder naamgeving.


Dat verschijnselen alleen kenbaar of herkenbaar zijn voor zover ze een naam krijgen, is natuurlijk niet in strikte en absolute zin het geval. Het is uiteraard heel goed mogelijk om objecten te onderscheiden in je waarnemingsveld, zonder dat je daar de naam voor weet. We kunnen een object of fenomeen herkennen als onderscheiden van andere zaken, op grond van empirisch waarneembare kenmerken, zonder dat we er een woord voor kennen, of de betekenis van dat woord te kennen. Elke figuur die tegen een achtergrond waarneembaar is, kun je waarnemen voordat je er een naam aan geeft, en kun je pas een naam geven, nadat je die waargenomen hebt, en hebt 'erkend', aangemerkt, als object dat enigszins van zijn achtergrond valt te onderscheiden. Er wordt in de theorie dus een allesbepalende rol toegekend aan het talige, verbale, terwijl de buitentalige ervaringswereld, die onnoemelijk veel omvangrijker is, volledig wordt buitengesloten - wat buitengewoon onrealistisch is.
(b)

Omkering van verwijzing.


Bovendien wordt de verwijzingsrelatie tussen taalvorm en object omgedraaid: niet de taalvorm 'veroorzaakt' dat een object in iemands perceptie kan bestaan, maar de perceptie die iemand van een object heeft kan hem/haar aanleiding geven om - desgewenst - het te benoemen. Dit volgens het pragmatische principe: 'woorden zijn slechts richtingwijzers' naar de dingen die ermee aangeduid worden.
(c)

Voorrang voor taalvorm leidt tot ritualisme.


We zien dat het idee van taalvorm als bewijs voor realiteitsgehalte al wordt weerspiegeld in een oud juridisch principe: 'Quod non est in actis, non est in mundo' ('Wat niet in de stukken staat, bestaat niet in de werkelijkheid'). Dit biedt advocaten uiteraard een enorme speelruimte om de oordeelsvorming in de rechtspraak weg te leiden van directe empirische waarneming en onafhankelijke logische redenering. Het vormt dan ook nog steeds een hoeksteen in het bouwwerk van juridicisme, proceduralisme en bureaucratie. Het bekende nadeel hiervan is de kans dat de bureaucratische molens een eigen leven gaan leiden, als 'lege' symbolische rituelen, losgezonden van de realiteit 'op de grond', waardooor ze hulpbronnen verslinden zonder veel aan oplossingen bij te dragen.
"Dossier-inhoud is belangrijker dan de ware toedracht." (Gert-Jan Knoops, advocaat, in: 'Kijken in de Ziel', Coen Verbraak, NTR, 1-12-2010).
}

(4.4)

Demonteren: van taalvorm voor alternatieve gezichtspunten.


Uit de visie van taalvorm als bepalende factor Ťn als effect van interpretaties en waarheidsbeweringen, volgde het idee, dat louter verandering van taalvorm al een verrijking, en dus hogere kwaliteit, van informatie oplevert. Dit leek een een eenvoudige als aantrekkelijke oplossing, want taalbouwsels zoals naamgevingen en beschrijvingen zijn in principe altijd naar believen te deconstrueren: zo men wil tot op de grond af te breken (zie bijv. Jacques Derrida).
{

Kanttekeningen.

Een exponent van deze denkwijze:
(·) Jacques Derrida (1930-2004): Gedachten en beweringen verwijzen niet naar een referentiŽle werkelijkheid, maar zijn constructies, onderdeel van een meer omvangrijk discours, waarvan de structuur bepalend is voor hun veronderstelde betekenis en 'waarheidsgehalte'. "Il n'y a pas de hors-texte": 'Er is niets buiten de tekst' (Jacques Derrida, 'De la grammatologie', 1967). Iedere opvatting en taaluiting is een schakel in een eindeloze keten, een onafzienbaar netwerk, van teken- en betekenisrelaties, een historisch gegroeid, veranderlijk, intersubjectief semantisch netwerk.
Derrida onderstreept het belang van 'deconstrueren'. Alle constructies en interpretaties zijn te ontkrachten.
Voor dit doel past hij globaal twee soorten tekstoperaties toe, die echter onderling niet stroken.
(a)

Onthullen van irrationaliteit.


Enerzijds door de intertekstualiteit aan het licht te brengen, door het opsporen van wisselende, 'zwevende' of onbeslisbare betekenissen, zogenoemde 'lekken' in de tekst, elementen die ingaan tegen rationele criteria, van syntactische, semantische en logische criteria: zoals dubbelzinnige verwijzingen, gebrek aan samenhang, ongefundeerde aannames, en tegenstrijdigheden.
(b)

Toevoegen van irrationaliteit.


Anderzijds pleit Derrida voor volledige vrijheid van tekstbehandeling, zowel interpretatie als kritiek, het "jeu du monde, un monde de signes sans faute, sans vťritť, sans origine, offert ŗ une interprťtation.": het 'spel van de wereld, een wereld van tekens zonder schuld, zonder waarheid, zonder oorsprong, beschikbaar ter interpretatie.' (Jacques Derrida, 'De la grammatologie', 1967). Zelf placht hij dan ook geheel arbitair tekstelementen toe te voegen die ingaan tegen syntactische, semantische en logische criteria, daarmee als het ware nieuwe 'lekken ' toe te voegen. Daarbij beroept hij zich slechts op een mager autoriteitsargument: zijn eigen vermeende 'geestelijke bagage'.
}

(4.5)

Taal - als nuttelloos voor kennisweergave.


In het postmodernisme spelen veel specifieke opvattingen over taal, taalgebruik en betekenisgeving (interpretatie) een rol.
Een aantal hiervan gaan in de praktijk vaak hand in hand - worden vaak in ťťn adem genoemd Ťn even hard bepleit - als de voorgaande visies, maar zeggen wonderlijk genoeg precies het logische omgekeerde daarvan: daarin wordt taal niet (meer) gezien als enige en volledige factor die kennis bepaalt; maar juist, ineens, als volstrekt onbetrouwbaar, onbruikbaar en irrelevant voor de weergave, opslag en uitwisseling van kennis en informatie. De grondtoon van deze opvattingen wil zoveel zeggen als: kennis is so wie so altijd moeilijk zo niet onmogelijk te bereiken, maar proberen haar in taal weer te geven is eigenlijk helemaal zinloos.
{

Kanttekeningen.

Enkele opmerkingen hierbij.
(1)

Deconstructie ondergraaft de basis van communicatie.


De vraag is natuurlijk in hoeverre het deconstrueren van gegeven interpretaties en taalvormen wel in elke situatie zinvol is als oplossing voor de beperkingen en feilbaarheid van waarheidsvinding en oordeelsvorming. We houden dan niet alleen geen enkele kennis meer over, maar ook geen mogelijkheid tot enige zinnige communicatie, die immers een minimale kennis van wederzijds gebruikte regels over teken- betekenisrelaties vereist, zoals eerder uitvoerig besproken.
(1a)

Met arbitraire interpretatie wordt communicatie zinloos.


Een eventuele overeenstemming tussen de gedachten van verschillende mensen, die wederzijds begrip, en dus communicatie mogelijk maakt, zou dan (1) tevoren alleen heel incidenteel, per toeval kunnen ontstaan; en (2) bovendien achteraf door niemand ooit kunnen worden opgemerkt.
(1b)

Inwisselbaarheid.


De volgende implicatie (c.q. complicatie) van de genoemde uitspraken is dat elke uitspraak inwisselbaar is voor een andere (zie o.a. Richard Rorty). Zoals we eerder zagen leidt dit eveneens tot diverse absurditeiten.
(1c)

Zonder zinvolle communicatie volgt solipsisme.


Dit komt in de grond neer op het idee van solipsisme: ieder is centrum van zijn eigen universum, maar volstrekt en onveranderlijk eenzaam en zonder een enkel ander levend wezen met besef, bewustzijn of 'ziel'. Zoals we eerder zagen volgen daaruit allerlei paradoxen en absurditeiten.
(1d)

Postmodernisme bedrijft volop communicatie.


Het postmoderne gedachtengoed wordt niettemin wel degelijk, en heel uitvoerig, gecommuniceerd en gedeeld onder mensen: dat zal door weinig aanhangers ervan worden tegengesproken. Tegelijk is volgens dit gedachtengoed niet verifieerbaar wat die uitspraken zijn, en wat ze betekenen, laat staan vergeleken op waarheidsgelijkenis. Hierin schuilt uiteraard de paradox dat wij aan elkaar kennelijk de gedachte kenbaar kunnen maken dat onze gedachten voor elkaar volkomen onbereikbaar en dus zeker onkenbaar zijn.
Evenmin kan worden gecontroleerd of een ander persoon bestaat of niet, dus ook niet of de bron, spreker of schrijver van die gedachten bestaat. Ook hierin schuilt uiteraard de paradox.
(1e)

Postmodernisme spreekt met uiterste stelligheid.


Bovendien worden in het postmodernisme veelvuldig uitspraken gedaan met de strekking dat uitspraken nooit kunnen worden beschouwd of beoordeeld als waar of althans geldig (waar voor alle mogelijke gevallen).
Tegelijk worden diezelfde uitspraken met de grootst mogelijke stelligheid gepresenteerd als waar of althans geldig (waar voor alle mogelijke gevallen), in ieder geval veruit te verkiezen zo niet superieur boven alle andere uitspraken.
Kortom, ook op dit punt is sprake van een paradox.
(1f)

Postmodernistische stellingen hebben typisch een groteske strekking.


Verwant aan de laatstgenoemde merkwaardigheid is het feit, dat in talrijke postmoderne uitspraken en betogen wordt gehamerd op de betrekkelijkheid en onzekerheid van alle kennis en informatie.
"In vormgeving, kunst en filosofie staat het postmodernisme voor een ontkenning van absolute, universele regels, wetten en waarden." (B. Nooteboom, hoogleraar bedrijfskunde, RU Groningen, de Volkskrant, 22-02-1992).
Tegelijk grossiert men bij uitstek in groteske inhoudelijke stellingen, over vermeende categorieŽn en causale relaties in de empirie, met name die van de - ultra-complexe - sociaal-psychologische, maatschappelijke en politieke werkelijkheid, liefst op mondiale en tegelijk tijdloze schaal.
Deze tijdloze totaal-oordelen zijn niet alleen tot het uiterste absolutistisch in stelligheid, maar ook tot het uiterste generaliserend. Het postmodernisme trekt al haar ideeŽn geheid oeverloos breed, ruim, rekbaar en plooibaar.
(1g)

Onverklaarde meerwaarde.


Het postmoderne gedachtengoed zou, om aan haar eigen radicale scepsis te ontsnappen, in alle opzichten van superieure - universele, absolute en alles-overstijgende - aard moeten zijn. Dit valt echter op geen enkele manier te verklaren of te onderbouwen.
(2)

Postmodernisch gebruik van vermeend 'meta-'niveau.


De uitweg die postmodernismen uit zulke paradoxen zoeken is tamelijk gangbaar in de filosofie, namelijk te stellen dat zij hun beweringen louter in 'meta-uitspraken' doen, die gesteld zijn in een speciale 'meta-taal', een taal 'over' alle talen heen. Deze meta-taal is gebaseerd op het gangbare gedachtengoed (discours, consensus, paradigma) zou zijn voorbehouden aan filosofen of althans academici, en is dus enigszins elitair of esoterisch. Ze zou op zichzelf niet vatbaar zijn voor de beperkingen die haar beoefenaars (via die metataal) aan alle andere talen en uitspraken toeschrijven. De beweringen die filosofen hierin doen behelzen volgens deze redenering op dezelfde wijze 'meta-kennis', oftewel kennis over kennis, die verheven is boven de gewone betrekkelijkheid van alle inhoudelijke of materiekennis.
De vraag is echter of het beroep op meta-theorie hier wel legitiem is als 'vluchtheuvel' tegen kritiek. Er blijken uit dit argument namelijk opnieuw paradoxen te volgen.
(2a)

Onverklaarde uitzondering.


De veronderstelling is hierbij uiteraard dat op zo'n 'meta' niveau plotseling, als bij magische toverslag, wŤl een vorm van waarheid, of geldigheid, mogelijk zou zijn. Volgens de centrale uitgangspunten van het postmodernisme echter is kennis met Ťlk minimum van waarheid, of geldigheid niet te verantwoorden. Daarbij is er op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat - algemene - uitspraken over kennis op dit principe een uitzondering vormen, dat wil zeggen, dat die aan andere wetten en criteria onderhevig zijn dan overige uitspraken. Zodat hier van een volkomen paradox sprake is.
(2b)

Arbitraire begrenzing.


Dergelijke onderscheidingen tussen inhoudsniveau en 'hogere' niveaus zoals meta-niveau, procesniveau , enz., kunnen heel zinvol en nuttig zijn - ŗls ze inderdaad aanmerkelijke, of liever nog, onherleidbare verschillen in domeinen van de algemene werkelijkheid weerspiegelen. Anders behelzen ze niet meer dan puur arbitraire, kunstmatige en fictieve afbakeningen (demarcaties).
(2c)

Verklaarde retorische truc.


Ze worden echter maar al te vaak gehanteerd als een doorzichtige retorische truc om niet vatbaar te hoeven zijn voor kritiek op eigen denkfouten.
}

4.

Bewijzen van objectiviteit.



(1)

Zonder kennis ervaren we alleen toeval.


Het begrip 'kennis' - althans in de 'klassieke' betekenis - vooronderstelt dat er een zekere relatie bestaat tussen een bepaald object in een of ander domein, en onze gedachten over dat object. Die relatie bestaat in enige mate van correspondentie, symmetrie, congruentie, of gelijkenis. Wil kennis zin hebben dan is die gelijkenis niet een louter toevallige 'gelukstreffer', maar een systematische relatie. Over langere termijn zou deze een symmetrische variatie behelzen, oftewel in statistische zin, een zekere mate van correlatie. Dat is ook de minimale vereiste om kennis enigszins objectief te kunnen beschouwen, oftewel 'object-bepaald'.
Wanneer we nu stellen, vanuit postmodern perspectief, dat kennis in die zin onhaalbaar is, geen relevantie heeft, louter op illusie berust, en - letterlijk - geen zin heeft, dan zou dat betekenen dat elk idee dat wij over iets kunnen hebben, alleen in een toevallige relatie kan staan ten opzichte van welk object dan ook. Dat wil zeggen, de 'object-kennis correlatie' is dan in alle gevallen over langere tijd nul, oftewel honderd procent contingentie.
Dan bestaat de enige 'werkelijkheid' zoals wij die kunnen kennen van moment tot moment, volledig, in elk opzicht, uit volstrekt unieke aspecten en facetten, oftewel singulariteiten: volstrekt unieke gebeurtenissen zonder dat wetten, regels of patronen daar enige rol in spelen. Voor een waarnemer - voor zover die dan nog mogelijk is - betekent dit dat geen enkel onderscheid of verschil valt te maken, dus geen enkele ordening te bespeuren is. De 'muur' tussen ons denken en de realiteit zou dus bestaan uit een eeuwig en eindeloos, vaal scherm van totale chaos, ruis en vaagheid.
Degene die beweert de werkelijkheid inderdaad, onveranderlijk op die manier te ervaren, zal echter meestal gezien worden als lijdend aan een zeldzame aandoening van psychische en/of neurologische aard.

(2)

Zonder kennis heeft gedrag geen zin.


Als er geen enkele zinnige relatie bestaat tussen onze perceptie en de werkelijkheid, dan kan er ook geen enkel verband bestaan, anders dan puur toeval, tussen onze doelgerichte acties en de effecten die ze opleveren. Met andere woorden, ons gedrag zou enkel volstrekt chaotisch kunnen zijn, en, om nog enige kans te hebben op incidenteel succes, constant onderhevig moeten zijn aan maximale variantie.
Als we onszelf zien als reiziger in een gebied van de werkelijkheid, dan zou een kaart in dat geval niet meer dan lukrake krassen en vlekken kunnen weergeven die geen enkele betrouwbare clue geven of richting aanwijzen in het gebied. Gespeend van elk soort kennis en informatie, richting en ordening, zouden we heel vaak niet ons doel bereiken, steeds weer dezelfde missers maken, voortdurend in vicieuze cirkels belanden, enzovoorts. Ons gedrag zou alleen op momenten, bij toeval, enigszins in enig verband kunnen staan met onze doelen, laat staan doelmatig zijn, en nog minder doeltreffend.
We zouden bovendien geregeld het omgekeerde bereiken (averechts effect) van wat we op het oog hebben: tegen objecten botsen, in kuilen en ravijnen stappen, anders gezegd: 'in zeven sloten tegelijk lopen'. Ons gedrag zou steeds tot het uiterste warrig en roekeloos zijn, en in veel situaties levensgevaarlijk. Zo bezien zou er geen enkele zinnige aanleiding zijn om ooit enig gedrag voort te brengen.

(3)

Sommige kennis blijkt afdoende.


Het valt echter moeilijk vol te houden dat het voorgaande inderdaad het geval is. Het is een algemeen waarneembaar feit (1) dat mensen wŤl gedrag vertonen, en (2) dat dit gedrag niet volstrekt chaotisch is maar meestal een zekere ordening vertoont, (3) dat ons gedrag niet aan de lopende band onze eigen belangen schaadt, en (4) met behoorlijke regelmaat tot gewenste effecten leidt. We botsen gewoonlijk niet tegen elke stoel op die we tegenkomen. Het is zelfs opvallend hoe vaak we er prima in slagen om zodanig in te spelen op onze omgeving dat dit heel aardig aan onze vooropgestelde verwachtingen en doelen voldoet. Dit gebeurt veel vaker dan we op grond van toeval - zeg 50 procent kans - zouden mogen verwachten.
Dit afgezien van uitzonderingen, die we meestal gemakkelijk herkennen als afwijkend, ontregeld, 'ziek' of gestoord; en die daardoor keurig de algemene regel bevestigen zoals het echte uitzonderingen betaamt.

(4)

Het brein is niet overbodig.


De strekking van de algemene postmoderne scepsis moet logischerwijs onafhankelijk zijn van de specifieke schaal van gegevens waarop die kan worden toegepast. Het moet dus net zo goed gelden voor onze 'macro' kenvermogens, zoals waarnemen, voelen, denken, herinneren, fantaseren; als voor onze 'micro' vermogens tot informatieverwerking, voor zover die aan de processen in ons brein en zenuwstelsel ten grondslag liggen. Dat geldt des te meer omdat een onderscheid tussen macro en micro gedrag - in elk geval - tot op zekere hoogte arbitrair en kunstmatig is.
Stel nu dat wij met ons bewuste intellect - inderdaad - niet in staat zouden zijn tot zinnige kennis. Kennis heeft in dat geval geen enkele concrete c.q. substantiŽle meerwaarde boven 'non-kennis', de totale afwezigheid van enige kennis of informatie.
Dan is er geen reden om aan te nemen dat we dit met onze onbewuste intelligentie - onze vermogens tot informatieverwerking in bredere zin - ineens wŤl zouden kunnen zijn. Met andere woorden, in dat geval zou ook het bezit van zintuigen, hersenen en algehele zenuwstelsel volkomen nutteloos zijn. Het zou dan ook onbegrijpelijk zijn waarom Łberhaupt in de evolutie een zenuwstelsel c.q. brein tot ontwikkeling is gekomen.
{

Kanttekeningen.

Volgens het postmodernisme is het bovendien al onzinnig om aan te nemen dat wij Łberhaupt zoiets als een brein hebben, want dat is immers een feit als elk ander - en feiten zijn in die visie niet echt vast te stellen. }

(5)

Ontstaan en evolutie van leven dankzij informatie.


Dezelfde kanttekeningen gelden voor alle systemen en structuren, weefsels en organen, processen en mechanismen die gemoeid zijn bij vormen van informatieverwerking, oordeelsvorming, reactievorming en gedragssturing. Deze strekken zich verder uit dan alleen brein en zenuwstelsel; ze manifesteren zich tot op de kleinste lichaamscel, organel, molecuul binnen het organisme. Anders gezegd, het lichaam als geheel, inclusief alle cognitieve en fysieke functies, zou zonder de mogelijkheid van zinvolle kennis overbodig zijn, en niet in de evolutie tot ontwikkeling zijn gekomen.
Dit alles geldt uiteraard evenzeer voor elke ŗndere levensvorm. Immers, ook een eencellig organisme, tot en met de kleinste en meest primitieve microbe (zoals bacterie, virus, schimmel, e.d.), moet kunnen beslissen over reacties op basis van waarnemingen, moet dus dus kunnen voorspellen, dus oordelen vormen, dus kennis vergaren - of het overleeft niet. Met andere woorden, zelfs een eencellige moet, in het kader van zijn of haar overleven, logisch beslissen, of sterft.
Zonder de mogelijkheid van zinnige kennis zou echter zelfs het gedrag van de kleinste levensvorm al louter berusten op toeval. Geen enkele levensvorm zou in de loop van de tijd, op aarde of elders, enige vorm van ordelijk, doelmatig gedrag tot ontwikkeling hebben kunnen brengen, dus zeker geen relevante informatiestructuur of intelligentie. Er zou Łberhaupt geen evolutie hebben plaatsgevonden.
Het is echter duidelijk dat evolutie plaatsvindt, via differentiatie, en selectie, van allerlei vitale functies, waaronder met name van vermogens tot informatieverwerking, en 'slim' beslissen. Alles wijst erop dat 'het leven' - het ontstaan, overleven, voortplanten van levensvormen - staat of valt bij het verwerken van informatie. Dat wil zeggen, informatie die in een zinnige relatie staat tot de omgeving, oftewel de realiteit.
"Een levend wezen is op te vatten als een verzameling informatie die zich kan voortplanten"..
(Prof. dr. Paulien Hogeweg, hoogleraar in de theoretische biologie Universiteit Utrecht).
De functie van informatieverwerking ligt voor alle levensvormen overduidelijk in voorspellend vermogen: het criterium om van 'kennis' te kunnen spreken. Het brein, en eigenlijk het hele zenuwstelsel, is te beschouwen als een voorspelmachine, die via evolutie, genetica, en individuele geschiedenis vorm heeft gekregen.

(6)

De feiten zijn soms verpletterend.


Het postmodernisme heeft in de loop van de negentiende eeuw, steeds meer invloed gehad op maatschappelijke ontwikkelingen, kort gezegd 'de tijdgeest', zeker na de Tweede Wereldoorlog, en nog meer sinds de democratiseringsbeweging van de sixties, maar bovenal sinds de val van de Muur in 1989. Generaties zijn ondertussen in postmoderne geest opgegroeid en opgeleid, tot aan de universiteiten toe, met de heilige overtuiging dat 'waarheid niet bestaat', en 'wetenschap is ook maar een mening'.
Merkwaardig, of eigenlijk ronduit paradoxaal, is echter dat het geenszins een rem heeft gezet op de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis en technologie. Integendeel, er hebben zich talrijke stormachtige ontdekkingen en innovaties voorgedaan, met name in de 'harde' bŤta vakgebieden en industrieŽn, van zeer exacte en robuuste aard, maar met onmetelijke consequenties.
(6.1)

Einstein's relativiteit geldt onder strikte voorwaarden.


Een voorbeeld van een opzienbarende wetenschappelijke ontdekking was Einstein's relativiteitstheorie (1905, 1915). De quintessence van deze theorie wordt wel verwoord als 'alles is relatief, maar dit ligt wel wat specifieker.
Volgens Einstein zijn metingen en uitspraken over de fysieke realiteit - althans op atomaire of grotere schaal - niet alleen afhankelijk van eigenschappen van het waargenomen object, maar ook van bepaalde eigenschappen van het subject, de waarnemer. Tegelijk is alleen de lichtsnelheid, de constante

C

, de enige parameter die onafhankelijk is van de positie of beweging van de lichtbron ten opzichte van ander object (

C

is in vacuŁm ongeveer 300.000 km./sec.). Als gevolg van de constantie van

C

- en bij gebrek aan een ander stabiel ijkpunt - worden de verhoudingen van objecten in ruimte en tijd relatief.
Hierdoor is elke meting van massa, lengte en tijdsverloop van een object afhankelijk van de positie en beweging van de waarnemer ten opzichte van het gemeten object.
(1)

De speciale relativiteitstheorie (1904).


Hiermee bewees Einstein dat de relativiteit van metingen voor eenparige beweging c.q. constante snelheid geldt. Bijvoorbeeld, naarmate een object een hogere snelheid heeft ten opzichte van een waarnemer (tweede object), veranderen haar fysische eigenschappen in ruimte en tijd zoals die door die waarnemer meetbaar zijn. Haar massa wordt groter, haar lengte wordt in bewegingsrichting korter, en de 'lokale' tijd verloopt trager.
Dit wordt weerspiegeld in de bekende vergelijking van Hendrik Antoon Lorentz (1853-1928), voor de zgn. Lorentz transformatie. Hieruit volgt bijvoorbeeld dat de lengte

l

van een object waarvan de - relatieve - snelheid

v

de lichtsnelheid

C

nadert; afneemt tot oneindig klein.
(H.A. Lorentz, 1904: Electromagnetic phenomena in a system moving with any velocity smaller than that of light, Proc. Acad. Science Amsterdam, vol 6, 1904, p.809-831;
A. Einstein, 1905: Zur Elektrodynamik bewegter KŲrper, In: 'Annalen der Physik', 30 juni 1905, Folge IV, Band 17, resp. Vol. 322 (no. 10), p.891-921).
(2)

De algemene relativiteitstheorie (1916).


Vervolgens bewees Einstein dat de relativiteit van metingen ook voor eenparig versnelde beweging geldt. Bijvoorbeeld, naarmate een object zich op grotere afstand bevindt van een zwaar object (zoals de aarde), ondervindt het een zwakkere zwaartekracht oftewel gravitatie; en omdat kracht afhankelijk is van versnelling (naast massa), zal de 'lokale' tijd minder gravitatieweerstand (inertie) ondervinden en daardoor sneller verlopen dan de tijd van het zware object (de aarde).
(Einstein, A., 1916: Die Grundlage der allgemeinen Relativitštstheorie, In: 'Annalen der Physik', 20 maart 1916, Folge IV, Band 49, resp. Vol.354 (no.7), p.769-822).
Deze inzichten worden door postmodernisten wel gebruikt als bewijs dat elke meting, bewering of afbeelding altijd in elk opzicht even relatief is, dus inwisselbaar met elke andere. De wetten van de relativiteitstheorie zijn echter uiterst scherp geformuleerd en hebben - tot dusver - een vrijwel feilloze voorspellende kracht: het tegendeel van 'absolute' relativiteit.
(6.2)

Wat is nŪet relatief aan de relativiteitstheorie.


Een voorbeeld van strikt wetmatige relativiteit is op atomaire schaal werkzaam in kernsplijting en splitsingsreactie. Uit een geringe hoeveelheid splijtstof kan volgens Einstein's beroemde formule

E

=

m

*

C

2 een gigantische kinetische kracht worden ontketend.
Dit mechanisme kan toegepast worden om kernenergie op te wekken, en atoombommen te laten ontploffen. In deze toepassingen ontstaat radioactief (kern)afval dat nog vele duizenden generaties levensgevaarlijk zal blijven.
{Nb. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog maakte de wereld kennis met de verwoestende kracht van kernbommen, en hun gruwelijke gevolgen.
(·) De atoombom op Hiroshima op 6 augustus 1945, genaamd Little Boy, bevatte 64 kg Uranium-235 waarvan 0,7 gram (massa equivalent) leidde tot explosieve kracht van ongeveer 63 Tera Joule wat overeenkomt met 15 kiloton TNT.
Het leidde tot een verwoesting waarbij minstens 66.000 mensen onmiddellijk omkwamen, en ongeveer 79.000 mensen gewond werden. Nog vele decennia daarna stierven nog eens tienduizenden aan de gevolgen van radioactieve straling en fall-out, zoals brandwonden en leukemie.
(·) De atoombom op Nagasaki op 9 augustus 1945, genaamd Fat Man, bevatte 6,4 kg Plutonium waarvan 1 gram (massa equivalent) leidde tot explosieve kracht van ongeveer 88 Tera Joule wat overeenkomt met 21 kiloton TNT.
Het leidde tot een verwoesting waarbij minstens 40.000 mensen onmiddellijk omkwamen, en ongeveer 70.000 mensen gewond werden. Ook hiervan stierven in de decennia daarna vele tienduizenden aan de langere-termijn schade.
Er is sindsdien in rap tempo in allerlei nucleaire wapenarsenalen zoveel explosieve nucleaire kracht opgebouwd, dat de aarde vele duizenden keren kan worden vernietigd. Kortom, hoezo 'geen relatie' tussen kennis en werkelijkheid? }
(6.3)

Einstein's relativiteit stelt hoge eisen.


De relativistische effecten die enigszins voedsel geven aan de postmoderne stellingen, zijn met name die optreden op grond van de Lorentz vergelijkingen. De ironie wil dat juist deze effecten alleen onder extreme voorwaarden enigszins beduidend worden, die op onze planeet nogal zeldzaam zijn en ook moeilijk te realiseren.
{Nb. Enkele voorbeelden:
(·) Om ťťn procent lengtecontractie te verkrijgen van een object van 100 kg in rust, is een relatieve snelheid nodig van ruim 152 miljoen km. per uur, oftewel ca. 14 procent van de lichtsnelheid, oftewel bijna ca. 4000 rotaties om de aarde per seconde, hetgeen minstens 90 biljard (Am. quadrillion) Joule, d.i. 90 petaJoule aan energie kost, het equivalent van ruim 1.428 keer de explosie van de atoombom (Little Boy) op Hiroshima.
(·) Voor tien procent lengtecontractie van zo'n object zijn deze getallen resp. ruim 470 miljoen km. per uur, ruim 43 procent, ruim 11.738 rotaties per seconde, ruim 998 petaJoule, c.q. ruim 15.851 keer dezelfde atoombom.
(·) Voor 99 procent lengtecontractie geldt voor deze variabelen: ruim 1 miljard km. per uur, ruim 99,99 procent, ruim 26.929 rotaties per seconde, ruim 889 exaJoule, c.q. ruim 1,4 miljoen keer dezelfde atoombom.
(Zie ook de matrix in: Lorentz transformation analysis).
(6.4)

Einstein's relativiteit in dagelijks gebruik.


Het ziet er naar uit dat we in de toekomst steeds meer te maken zullen krijgen met de praktische consequenties van de relativiteitstheorie.
Die zijn bijvoorbeeld steeds vaker van belang in allerlei technologische toepassingen die gebruik maken van sateliet communciatie. Een voorbeeld is het GPS systeem (global positioning system) dat inmiddels door zowat de hele wereldbevolking dagelijks in mobiele telefoons, navigatie apparatuur en dergelijke wordt gebruikt. De positie van de GPS signaalontvanger op aarde wordt bepaald door het vergelijken van de afstanden ten opzichte van meerdere satelieten op basis van hun signalen met informatie over hun positie in de ruimte en de tijdsduur van signaaltransmissie. De mechanismen van relativiteit veroorzaken echter vertekeningen in de benodigde tijdmeting.
(·) De relatieve snelheid van de satelieten ten opzichte van de aarde zorgt als gevolg van speciale relativiteit voor een relatief trager verloop van de lokale tijd.
(·) De relatieve afstand van de satelieten ten opzichte van de aarde zorgt voor een zwakker 'lokaal' gravitatieveld, en daardoor, als gevolg van algemene relativiteit, voor een relatief sneller verloop van de lokale tijd.
Deze effecten kunnen voor aanzienlijke afwijkingen zorgen, en omdat ze elkaar niet opheffen moeten de GPS ontvangers hun metingen hierop corrigeren.
Deze toepassingen laten zien dat de Einstein's relativiteit aan uiterst secure wetten is gebonden, dat haar effecten daardoor zeer voorwaardelijk en tegelijk uiterst precies zijn, en bovendien zeer selectief en specifiek in de fysische grootheden waar zij effect op heeft.
Keer op keer is tot nu toe bewezen dat de relativiteitstheorie uitermate exact en betrouwbaar is in haar voorspellingen.
De effecten worden daarbij volledig gedetermineerd door de lichtsnelheid, een fysische constante die een universele, centrale en absolute standaard vormt. Anders gezegd: verre van 'relatief '.

(7)

ICT werkt uitermate voorspelbaar.


Een andere paradox van het postmodernisme, misschien wel de meest bizarre, ligt in haar scepsis over alles wat riekt naar logica en rationaliteit. Die worden als koud en kil gezien, en bovendien irrelevant en zelfs misleidend en schadelijk als het gaat om waarheidsvinding, en wat veel belangrijker wordt gevonden: meningsvorming. Immers, vanuit postmodernistisch perspectief worden wij vrijwel geheel gedreven door driften en invloeden van irrationele, ' intuÔtieve', emotionele en onbewuste aard. Ook alle onderzoek en theorievorming in de sociale wetenschappen, zoals psychologie, sociologie, pedagogie, criminologie, politicolgie, enzovoorts, is er al decennia eenzijdig op gericht om dit uitgangspunt met allerlei theorieŽn en onderzoeken te staven.
De praktijk leert echter dat wij allen juist nagenoeg onvoorwaardelijk en onafgebroken vertrouwen blijken te stellen in de logica. Juist in de huidige tijdgeest van ultra-relativisme leven we in een wereld van kennis en informatie, als een vis in het water. Dagelijks vertrouwen we bijna continu op apparaten en systemen die feitelijk - maar voor velen onzichtbaar - doortrokken zijn van wetenschap en techniek welke volledig gestoeld zijn op vertrouwen in de logica.
Een gebied waar de laatste decennia buitengewone ontwikkelingen hebben plaatsgevonden, met exponentieel toenemende snelheid en reikwijdte, is dat van de informatietechnologie (kortweg ICT). We maken dagelijks steeds vaker en intensiever gebruik van deels of geheel computergestuurde apparaten en gadgets, van auto's tot ipods. Dankzij geavanceerde hardware met steeds kleinere afmetingen en grotere rekenkracht; en complexe software met steeds 'slimmere' algoritmes, voeren deze systemen miljarden bewerkingen per seconde uit.
{Nb. Een gangbare processor heeft dezer dagen (anno 2017) al gauw een verwerkingssnelheid (transfersnelheid) van 40 miljard operaties (d.i. beslissingen over bit waarden) per seconde. Dat zijn al gauw 144 biljoen door de software voorspelde effecten per uur, dus evenveel potentiŽle fouten. }

De informatietechnologie, die inmiddels de levens van mensen wereldwijd beheerst, is volledig gegrondvest op de keiharde wetten van logica, informatie en kennis.
Elk van de bewerkingen in het 'redeneerproces' van een processor bestaat is in feite uit een toestandswijziging van de fysische machine. het fysische apparaat. Deze weerspiegelt exact een overeenkomstige logisch- rekenkundige operatie. Die bestaat in de grond uit een toestandsbeslissing over een voorwaardelijke actie, te verwoorden als: 'Als A het geval is, doe dan B, anders C'. De basis van zo'n schakeling is dus steeds een waarheidsbeslissing. Het apparaat lost elke keer een waarheidsbeslisprobleem op, doet overeenkomstig een waarheidsbewering (zoals 'A is wel/niet het geval'), en activeert overeenkomstig een bepaalde actie (zoals 'B', of 'C').
De resultaten van deze processen zijn zonder uitzondering feilloos voorspelbaar, op grond van de simpelste formele logica gecombineerd met elementaire Peano rekenkunde. Dit afgezien van een mogelijke, meestal minuscule ruismarge in de fysische processen als geval van incidentele haperingen c.q. slijtage van hardware componenten.
Daarbij is ook voorkomende ontregeling als gevolg van bugs in de programmatuur achteraf sluitend verklaarbaar en voorspelbaar.
Dit betekent dat er - volkomen strijdig met de stellingen van het postmdernisme - een vrijwel perfecte correspondentie bestaat tussen het functioneel ontwerp van hardware en software met het meest simpele formele logisch- rekenkundige systeem.

Hoe kunnen we deze prestaties in de informatietechnologie verklaren vanuit postmodern perspectief?
Duidelijk moet zijn dat computers, robots en dergelijke, met inbegrip van de hardware, de software, de input, de output, enz., zijn gebaseerd zijn op menselijke kennis. Daaruit volgt dat hun prestaties in wezen ook voortkomen uit menselijke kennis en kunde.
Natuurlijk 'weet' de computer c.q. het programma of algoritme niet dat het iets aan het constateren of beslissen is, en evenmin wŗt dat is. Maar er is hoe dan ook in een voorgaand stadium een menselijke programmeur geweest die tevoren voorzien heeft - voorspeld, in feite - dat het programma dit altijd en uitsluitend zou gaan doen, onder deze of die specifieke voorwaarden. Hij of zij kon dit doen met een grote mate van zekerheid op grond van kennis, al was het maar intuÔtief, van de wetten van het simpelste systeem van de formele logica (de propositielogica, PPL), dat tegelijk het best - namelijk volledig - beslisbaar is. Juist hierin ligt de feilloze voorspelbaarheid van de elementaire bewerkingen van computers.
{Nb. Zoals bekend wordt het met toenemende samenhang tussen operaties (complexiteit) van algoritmes moeilijker, en op zeker moment zelfs onmogelijk, om te voorzien of de processen en de uitkomsten zullen overeenkomen met wat de bedoeling was, en niet op bugs zullen stuklopen. De enige, wat messy remedie om de zekerheid te verhogen is, tevoren veelvuldig testen onder variabele omstandigheden (ceteris liberis) waaronder de meest 'domme' input: de zgn. monkey-test. }
Wanneer we de redeneerwijze van postmoderne denkers zoals Rorty volgen, dat moeten we het volgende concluderen. Menselijke kennis behelst volgens het postmodernisme weinig meer dan subjectiviteit en toeval. Er kan dan niet ergens tussen menselijk brein en haar technische constructies - in abstracte ontwerpen of concrete apparaten - zomaar, uit het 'niets', een magische toevoeging van kennis met enig objectief, niet-arbitrair gehalte plaatsvinden. Deze machines werken vanuit die visie dus allemaal op hun beurt net zo goed op grond van interpretaties en/of constructen in de taal, die geen weerspiegeling kunnen vormen van een 'buitenwereld': de mogelijke input en de omringende context van software, hardware en gebruiker. Elk van de miljarden schakelingen in het 'redeneerproces' wordt dan geheel bepaald door arbitraire keuzes, dus uiteindelijk door toeval.
Het gaat zelfs nog verder: ook de programmeur kan dan bij het coderen van de instructies niets voorspellen, niets vaststellen, en niets zinvols vastleggen. Een computerprogramma kan dan niets meer zijn dan een dobbelsteenworp, een willekeurige greep uit een oneindige grabbelton van mogelijke syntactische combinaties van de gebruikte machine taal.
Dat heeft bizarre consequenties. Elke software produceert dan met elke input op elke hardware willekeurig welke denkbare output. Dat is duidelijk ultra-absurd: de dagelijkse ondervinding laat het totale tegendeel zien. Er hoeft in een computer systeem maar ťťn bit verkeerd te staan, en de hele machinerie loopt hopeloos vast.
{Nb. Tenzij er een parallel fail safe systeem voorhanden is dat onmiddellijk alle functies overneemt. Maar die moet dan wel weer foutloos werken. }

Het grappige is trouwens - en net als in het geval van taal, communicatie en logica, een paradox - dat postmoderne denkers zelf meestal intensief gebruik maken van ICT technologie om hun gedachtegoed te verspreiden.

Daar komt nog een merkwaardigheid bij. Het postmoderne gedachtengoed beweegt zich typisch in het domein van abstractie, dat wil zeggen, patronen van redeneren die in ieder geval wat betreft syntax een logische (syntactische) structuur hebben. Dit afgezien van hun vermeende logische (semantische) geldigheid. Postmoderne denkers vertrouwen stug en breedvoerig op de overtuigingskracht van redeneringen om hun zienswijze uit te dragen, en doen daarmee een zwaar beroep op de wetten van de logica, zij het in een uiterst verwrongen variant.
(a) De eerste paradox hierin is dat de postmodernisten in hun betogen voor alles pleiten voor anti-elitarisme, anti-intellectualisme en anti-rationalisme. Zij construeren hiervoor merkwaardig genoeg buitengewoon complexe theorieŽn, die juist uitblinken in cryptisch jargon en intellectualistische rationalisaties die losgezongen zijn van de alledaagse werkelijkheid en alleen voor een selecte in-crowd navolgbaar zijn (of dat schijnen).
(b) We hebben bovendien gezien dat het postmoderne vertoog op vele cruciale schakels in zijn opbouw paradoxen c.q. contradicties vertoont. Dat betekent dat de postmoderne theorie als geheel niet consistent kan zijn, en dus niet geldig, sterker noch: niet waar kan zijn. Zeker niet als we de redeneerdrift van de postmoderne intellectueel zelf ten volle honoreren.
"Een scŤne mag absurd zijn, maar daarbinnen moet logica bestaan. [..] Ook absurdisme kan niet zonder logica" (John Cleese, bekend van Monty Python en Fawlty Towers, geciteerd door: Arjan Peters, 'Mensen luisteren helemaal niet, maar beginnen meteen over zichzelf', 24 oktober 2014, de Volkskrant).

(8)

Communicatie werkt - meestal.


Wanneer we de mogelijkheid van kennis of althans betrouwbare informatie afwijzen, dan moeten we ook aannemen dat communicatie - in de gewone, alledaagse zin van informatie -uitwisseling - niet kan werken. Zoals eerder gezegd, de elementaire componenten zouden daarvoor ontbreken: (a) verwijzing naar feiten, of althans een intersubjectief kenbare werkelijkheid, (b) herkennen van relaties tussen tekens en betekenissen, en (c) overdracht van inhoudelijke informatie.
Natuurlijk is er geen directe, honderd procent sluitende en eenduidige, ťťn-op-ťťn relatie tussen teken en betekenis (de misvatting van essentialisme, die we zoveel tegenkomen in extreme ideologieŽn en geloofsystemen). Net zoals in het geval van kaart en gebied gaat het om een relatie van verwijzing.
Mensen maken veelvuldig gebruik van communicatie om naar allerlei zaken te verwijzen, en dit blijkt vrij vaak heel redelijk te werken. Vrijwel elk lid van een samenleving kan verifiŽren dat dit het geval is; in ieder geval, ook hier, veel vaker dan mogelijk is bij pure toevalskans.
Wil communicatie werken - in de gewone, alledaagse zin van informatie-uitwisseling - dan moet er geregeld een zekere gelijkenis mogelijk zijn tussen de bedoelde betekenis van een bericht aan de kant van de zender, en de begrepen betekenis aan de kant van de ontvanger. Dit betekent dat er een hoeveelheid kennis moet bestaan die gedeeld wordt door de deelnemers aan de communicatie (met name taalgebruikers), met betrekking tot de genoemde componenten. In deze kengegevens spelen talrijke factoren en componenten een rol: algemene menselijke vermogens zoals taalcompetenties, sociaal-psychologische factoren van (sub)culturele aard, en individuele capaciteiten.
Al deze kennis is zeer veranderlijk, en beslist bijzonder feilbaar. In de keuzes van naamgevingen, uitingsvormen, interpretaties en reacties spelen subjectieve keuzes, inschattingen en risico's altijd een rol. Misverstanden en onbegrip treden veelvuldig op.
Maar het is zeker niet zo dat we altijd lukraak klanken en gebaren uiten, of daar willekeurig welke betekenissen aan hechten, dan wel in het wilde weg op reageren. Het komt maar heel zelden neer op volledig guessing better then random. Het is dus wel degelijk zo dat een teken enigszins eenduidig en consequent, systematisch kan verwijzen naar een betekenis.
"Je ziet dit trouwens vaker bij filosofen. Ze doen een heel radicale uitspraak met enorme implicaties, maar in hun eigen optreden spreken ze zichzelf tegen." [..] "Kijk maar naar hun handelen. Daaruit blijkt hoe weinig waarachtig hun standpunt is. Als puntje bij paaltje komt, redeneren ze net als iedereen." [..] "Er is een beroemde anekdote van een postmoderne filosoof die tijdens een lezing heel ferm beweerde dat communicatie onmogelijk is. Uiteindelijk zouden we gevangen zitten in onze eigen denkbeelden en interpretaties. Dat weerhield hem er echter niet van om in de pauze gewoon naar huis te bellen, of zijn vrouw alvast een pizza peperoni in de oven wilde doen."
(Maarten Boudry, wetenschapsfilosoof te Gent, kritiseert het boek 'Waarom de wereld niet bestaat' van filosoof Markus Gabriel; geciteerd door Sebastien Valkenberg, 'De wereld bestaat gewoon', 25-06-2015, Trouw).

(9)

Objectiviteit wordt mogelijk bij verantwoordelijkheid.


Het is duidelijk dat op dit punt een reusachtig verschil bestaat tussen vakgebieden. De overweldigende betrouwbaarheid en voorspellende kracht zijn bij uitstek kenmerkend voor de exacte of bŤtawetenschappen, met name wiskunde, natuurkunde, scheikunde, - en in mindere mate geologie, astronomie, biologie, informatietheorie, Kunstmatige Intelligentie, e.d.. Deze torenen in dit opzicht peilloos hoog uit boven die van de alpha studies, zoals taal- en letterkunde, geschiedenis, archeologie; en nog veel meer boven die van de sociale of geesteswetenschappen, c.q. gammastudies, zoals psychologie, pedagogie, andragogie, agogiek (leer van sociale verandering), criminologie, sociologie, antropologie, gender studies, economie, econometrie, communicatiewetenschap, politicologie, theologie, filosofie, enz..
Hierin ligt een volgende paradox: de 'minder exacte' vakgebieden richten zich typisch op ultra-complexe domeinen, waar heel verschillende verschijnselen en processen zoals taal en communicatie-patronen, fysische causaliteit, statistische kansen, abstracte informatiestructuren, en subjectieve ervaringsaspecten, vaak welhaast onontwaarbaar met elkaar verweven zijn en intensief interacteren. Hier is benadering van de ware toedracht van de realiteit - objectiviteit - bijzonder lastig, en wellicht in veel gevallen onhaalbaar. Wetenschappers dienen op deze gebieden daarom eigenlijk juist de maximaal haalbare precisie en accuraatheid te betrachten in hun onderzoek, analyse en theorievorming.
De ironie wil dat de extreme complexiteit van deze onderzoeksgebieden volop speelruimte biedt om selectief, arbitrair, speculatief en tendentieus te werk te gaan. Helaas wordt hier vanouds inderdaad grootschalig en structureel gesjoemeld en gemarchandeerd met wetenschappelijke principes. Deze vakgebieden blinken uit in wollige en wazige taal, sloppy definities, en hap snap in elkaar geflanste kaartenhuis-theorieŽn, die bij duizenden tegelijk worden gehandhaafd hoewel ze elkaar vaak vrolijk tegenspreken, terwijl ze veelal 'onderbouwd' worden met veel schijn-exactheid (een misleidend gebruik van cijfermateriaal en statistiek), en warrige spaghetti-logica.
De volgende absurditeit is dat postmodern georiŽnteerde filosofen de deplorabele toestand van deze vakgebieden juist gebruiken om te 'bewijzen' dat objectiviteit helemaal nooit haalbaar is of een zinnig doel behelst.
Dit is natuurlijk een Gotspe ten top. Het omzijlen van objectiviteit vereist weliswaar heel weinig inspanning, maar dat doet niets af aan haar belang en haar haalbaarheid. Wat op de eerste plaats nodig is, is dat wetenschappers hun verantwoordelijkheid nemen.

5.

Conclusie.



Zoals gezegd erkent het postmodernisme niet de mogelijkheid van een zinvolle relatie tussen werkelijkheid en het menselijk kenvermogen. De objectieve werkelijkheid of 'buitenwereld' is dan ook niet relevant voor ons subjectieve weten en beleven.
Het postmodernisme kwam tot ontwikkeling in reactie op de paradoxen van de moderne geschiedenis - de ontwikkelingen in wetenschap en techniek, politiek en massacommunicatie, industrie en kapitaal, enzovoorts - maar het werd zŤlf in hoge mate irrationeel.
We zien dat de stellingen en redeneringen van het postmodernisme stuiten op een overweldigende hoeveelheid contra-indicaties vanuit de empirie en interne paradoxen vanuit de theorie. Op basis daarvan blijkt de postmoderne, radicale scepsis absurd en, althans wetenschappelijk, onhoudbaar.

C.P. van der Velde, juni 2017.

Zie verder ..



 
> > > >